Vordering huurachterstand toegewezen, beroep verrekening afgewezen

Tussen de eiser als verhuurder en de gedaagde als huurder bestaat een huurovereenkomst over een onroerende zaak. De gedaagde heeft de verschuldigde huur niet tijdig en volledig betaald. Hierdoor is hij de hoofdverplichting van een huurder niet nagekomen. De gedaagde zegt dat de door eiser gestelde huurachterstand niet juist is. Hij laat dan ook de debiteurenkaart zien, waarop de inkomsten en uitgaven van de gedaagde worden bijgehouden. De eiser ontvangt de uitkering van de gedaagde van de gemeente en verrekent vervolgens zelf de verschuldigde huur. Op de kaart die gedaagde in de procedure brengt staat ook een bedrag van €2.000,- die de eiser meent nooit ontvangen te hebben. Het is nu aan de gedaagde om te bewijzen dat deze betaling daadwerkelijk is verricht, maar dit doet hij niet. In de procedure wordt er daarom uitgegaan van de door de eiser gestelde huurachterstand. De gedaagde is de in het ongelijk gestelde partij van deze procedure.

Datum: 9 februari 2012
Rechtbank: 's-Gravenhage. Sector kanton, locatie Delft
Zaaknummer: 1112802 \ CV EXPL 11-10744

Vonnis

in de zaak van:

de stichting EISER, gevestigd te  , eisende partij,

gemachtigde: IntoCash,

tegen

GEDAAGDE, wonende te  , gedaagde partij, procederend in persoon.

Partijen worden aangeduid als Eiser enerzijds en Gedaagde anderzijds.

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken: de dagvaarding van 18 oktober 2011, met producties; de conclusie van antwoord, met producties; de conclusie van repliek; de mondelinge en schriftelijke conclusie van dupliek.

Feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

Tussen Eiser als verhuurder en Gedaagde als huurder bestaat een huurovereenkomst betreffende de onroerende zaak aan  te. Op de huurovereenkomst zijn de door Eiser gehanteerde voorwaarden van toepassing.

Ingevolge die huurovereenkomst is Gedaagde verplicht maandelijks bij vooruitbetaling aan Eiser de verschuldigde huur te voldoen.

Gedaagde heeft, ook na aanmaning daartoe, de verschuldigde huur niet steeds tijdig en volledig betaald.

De door Eiser ingeschakelde incassogemachtigde heeft Gedaagde tot betaling gesommeerd.

Vordering

Eiser vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad veroordeling van Gedaagde tot: betaling van een bedrag van € 2.455,48 aan huur; betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 535,50; betaling van de wettelijke rente, tot 11 oktober 2011 ad € 177,42; betaling van overige rente en veroordeling in de proceskosten.

Eiser legt aan de vordering voormelde vaststaande feiten ten grondslag, alsmede de navolgende stellingen. Gedaagde is bij herhaling in gebreke gebleven met de tijdige en volledige betaling van de huur en is derhalve de hoofdverplichting als huurder niet nagekomen. Tot 11 oktober 2011 heeft Gedaagde een achterstand in de huurbetaling laten ontstaan van € 2.455,48.  Gedaagde is gehouden dit bedrag alsnog aan Eiser te betalen. Aangezien Gedaagde in gebreke bleef de verschuldigde bedragen te-voldoen heeft Eiser de vordering ter incassering uit handen gegeven. De door de gemachtigde van Eiser verrichte werkzaamheden hebben meer omvat dan de werkzaamheden die nodig zijn voor de voorbereiding en het voeren van deze procedure. De aan die werkzaamheden verbonden kosten belopen de som van € 535,50. Op grond van de toepasselijke voorwaarden dan wel de wet is Gedaagde gehouden deze kosten aan Eiser te vergoeden. Eiser maakt aanspraak op wettelijke rente. Tot 11 oktober 2011 heeft Eiser die rente becijferd op een bedrag van € 177,42.

Verweer

Gedaagde verweert zich tegen de vordering en voert daartoe -zakelijk weergegeven- het navolgende aan. De door Eiser gestelde huurachterstand is niet juist. Gedaagde heeft een door Eiser opgestelde debiteurenkaart overgelegd. Op die kaart worden de inkomsten en uitgaven van Gedaagde bijgehouden. Eiser ontvangt de uitkering van Gedaagde van de gemeente en verrekent vervolgens zelf de door Gedaagde verschuldigde huur.

In juni 2008 is er een bedrag van € 2.000,- bijgeschreven op de debiteurenkaart van Gedaagde. Eiser stelt dat zij dat bedrag nooit heeft ontvangen. Eiser had voormeld bedrag van € 2.000,- kunnen verrekenen met de huurschuld van Gedaagde.

Als de kantonrechter tot de conclusie komt dat Gedaagde toch nog een bedrag aan Eiser moet betalen, wil Gedaagde daarvoor een betalingsregeling treffen.

Beoordeling

Uit de door Gedaagde bij conclusie van antwoord overgelegde debiteurenkaart volgt dat de maandelijks door de gemeente aan Eiser ten behoeve van Gedaagde overgemaakte betaling daadwerkelijk is verantwoord. Bij conclusie van repliek heeft Eiser verder gemotiveerd uiteengezet, dat zij de door Gedaagde gestelde betaling in juni 2008 wel heeft ontvangen, maar ook dat zij die betaling heeft verrekend met huurachterstand die Gedaagde toen had. De ontvangst van het door Gedaagde gestelde bedrag van € 2.000,- en de verrekening daarvan volgt ook uit de hiervoor bedoelde door Gedaagde zelf overgelegde debiteurenkaart uit 2008. Het ligt vervolgens op de weg van Gedaagde om aan de hand van nadere betalingsbewijzen aan te tonen dat door of namens haar meer betalingen zijn verricht dan door Eiser in deze procedure zijn verantwoord. Gedaagde heeft dat nagelaten.

In deze procedure wordt daarom uitgegaan van de juistheid van de door Eiser gestelde huurachterstand tot 11 oktober 2011 ad € 2.455,48. Dit deel van de vordering is daarom als op de wet gegrond toewijsbaar.

Tegen de gevorderde rente en vergoeding van buitengerechtelijke kosten heeft Gedaagde geen zelfstandig verweer gevoerd. Deze vorderingen zijn daarom als op de wet gegrond ook toewijsbaar, zij het dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen tot het bedrag dat, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgever gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk is, te weten € 357,-..

Gedaagde wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Voor het eventueel treffen van een betalingsregeling dient Gedaagde zich te wenden tot (de gemachtigde van) Eiser.

Beslissing

De kantonrechter

veroordeelt Gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen een bedrag van € 2.989,90, met de wettelijke rente over € 2.455,48 vanaf 11 oktober 2011 tot de dag van de voldoening;

veroordeelt Gedaagde in de kosten van de procedure, tot hiertoe aan de zijde van Eiser vastgesteld op € 852,31, waaronder begrepen een bedrag van € 350,-, als het aan de gemachtigde van Eiser toekomende salaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.F. Baaij, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting v^n.9 februari 2012, in tegenwoordigheid van de griffier.