Vordering meerdere anonieme schuldeisers op basis van gemeenschap toegewezen

De gedaagde heeft via internet een Boober lening afgesloten van 6.000,- euro. Gedaagde heeft hier maar een klein gedeelte van afgelost. Inmiddels is Boober failliet verklaard. Hierdoor zorgt de eisende partij 'SBAG' voor de afwikkeling van de leningen. Gedaagde erkent dat er een lening is, maar betwist dat SBAG de eisende partij is. De rechter oordeelt dat de gedaagde had moeten weten dat de geld uitleners zich konden verenigen als één en dat er dan ook sprake is van één gezamenlijk vorderingsrecht. Nu de eiser duidelijk heeft laten zien dat niet alle uitleners bij de SBAG hoeven te zitten wordt de vordering toegewezen.

Datum: 11 september 2013
Rechtbank: Midden-Nederland, Afdeling Civiel recht kantonrechter, locatie Utrecht
Zaaknummer: 833201 UC EXPL 12-14884

Vonnis

inzake
Eisers 1 t/m 24, gezamenlijk verder ook te noemen eisers,
eisende partij,
gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, IntoCash

tegen:


Gedaagde 1, wonende te en verder ook te noemen Gedaagde 1;
Gedaagde 2, wonende te, verder ook te noemen Gedaagde 2;
gezamenlijk verder ook te noemen gedaagden, gedaagde partij, procederende in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 24 april 2013;
de akte uitlating bewijslevering en overlegging producties aan de zijde van eisers;
de akte uitlating aan de zijde van gedaagden; de antwoordakte aan de zijde van gedaagden; de antwoordakte aan de zijde van eisers.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

De kantonrechter verwijst naar en herhaalt hier hetgeen in het tussenvonnis van 24 april 2013 is overwogen en beslist. De kantonrechter heeft eisers in voormeld tussenvonnis toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden vastgesteld dat tussen eisers en gedaagden een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen is, op grond waarvan (een of meer) eisers aan (een of meer) gedaagden (al dan niet hoofdelijk) een bedrag van in totaal € 6.000,00 ter leen hebben verstrekt, dan wel -voor het geval eisers in dit bewijs niet mochten slagen - om te bewijzen dat het door Gedaagde 1 ontvangen bedrag van € 6.000,00 geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit het vermogen van (een of meer) eisers.

In het kader van deze bewijsopdracht hebben eisers bij akte na tussenvonnis stukken overgelegd, te weten een ongedateerd en ongetekend stuk met de kop 'gebruikersovereenkomst' (productie 8) en diverse e-mails en bankafschriften (producties 9 tot en met 12). Eisers stellen zich op het standpunt dat zij met deze stukken het bewijs hebben geleverd dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening (lening 94) tussen (alle) eisers enerzijds en Gedaagde 1 anderzijds. Daarbij hebben eisers tevens het standpunt ingenomen, zichzelf aanduidend als 'de uitleners', dat 'de uitleners per lening een gemeenschap vormen.' Eisers voeren daartoe mede het bepaalde in artikel 4.4 van de als productie 8 overgelegde 'gebruikersovereenkomst' aan. De kantonrechter begrijpt dit standpunt aldus dat daarmee bedoeld zal zijn de stelling dat eisers gezamenlijk één vorderingsrecht hebben, zodat de regels met betrekking tot gemeenschap in Boek 3, Titel 7, afdeling 1 BW (artikel 3:166 e.v.) van toepassing zijn. In dat verband doen eisers een beroep op de bevoegdheid van iedere eiser afzonderlijk om als deelgenoot een rechtsvordering in te stellen ten behoeve van de gemeenschap (artikel 3:171 BW). Gedaagden hebben bij antwoordakte betwist een contract conform de door eisers overgelegde 'gebruikersovereenkomst' te hebben ontvangen en ondertekend. Voorts stellen zij dat uit de door eisers overgelegde bankafschriften een in totaal door een aantal van de eisers uitgeleend bedrag van € 1.956,51 blijkt en dat zij dat bedrag reeds hebben terugbetaald. De kantonrechter overweegt als volgt.

Eisers baseren hun vordering primair op een overeenkomst van geldlening met gedaagden. Zoals in het tussenvonnis van 24 april 2013 reeds overwogen, staat vast dat er sprake is van één overeenkomst van geldlening, met leningnummer 94, met een hoofdsom van € 6.000,00. Gedaagden zijn deze overeenkomst via tussenkomst van Boober met meerdere - zij het gedaagden destijds onbekende - schuldeisers aangegaan en hebben dit bedrag van € 6.000,00 destijds in zijn geheel ontvangen. Met de door eisers bij akte na tussenvonnis overgelegde e-mails van Boober en bankafschriften is ten aanzien van een aantal van de eisers aangetoond, dat deze eisers via Boober geld hebben uitgeleend in het kader van deze overeenkomst, verder te noemen de leningsovereenkomst. Dit volgt uit het daarbij vermelde leningnummer 94, waarvan vast staat dat dit nummer op de leningsovereenkomst betrekking heeft. Het betreft de volgende eisers, voor de daarbij vermelde uitgeleende bedragen:

- sub 1  € 50,00
- sub 3   € 350,00
- sub 5   € 336,51
- sub 8   € 20,00
- sub 9   € 100,00
- sub 11  € 400,00
- sub 12  € 100,00
- sub 13  € 25,00
- sub 16  € 200,00
- sub 17  € 120,00
- sub 19  € 50,00
- sub 20  €  5,00
- sub 21  €  200,00
Totaal  €  1.956,51

Daarmee is van de door gedaagden geleende hoofdsom van € 6.000,00 een deel ad € 1.956,51 herleid tot de betreffende schuldeisers, te weten eisers sub 1, 3, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 en zijn die eisers geslaagd in het opgedragen bewijs. Ten aanzien van eiser sub 4 geldt dat uit het overgelegde rekeningafschrift wel kan worden opgemaakt, dat hij als uitlener bij de leningsovereenkomst betrokken is, maar niet welk bedrag hij heeft uitgeleend. Gezien de inhoud van de bewijsopdracht is ook eiser sub 4 hiermee in het opgedragen bewijs geslaagd.

De overige eisers, zijnde de eisers sub 2, 6, 7, 10, 14, 15, 18, 22, 23 en 24, zijn in het opgedragen bewijs niet geslaagd, nu op grond van de door eisers aangedragen bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat ook die eisers als medeschuldeisers bij de lening moeten worden aangemerkt en evenmin dat het door gedaagden ontvangen bedrag van € 6.000,00 gedeeltelijk, maar dan krachtens een andere titel, afkomstig was uit het vermogen van (een of meer van) deze eisers. Dit betekent dat de vordering voor zover ingesteld door de eisers sub 2, 6, 7, 10, 14, 15, 18, 22, 23, 24 dient te worden afgewezen.

Nu vast staat dat er meerdere schuldeisers zijn, waaronder de eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21, is het bepaalde in artikel 6:15 BW van toepassing. Deze bepaling heeft als uitgangspunt dat ieder van de schuldeisers een vorderingsrecht voor een gelijk deel heeft. Van dit uitgangspunt wordt echter afgeweken indien uit wet, gewoonte of rechtshandeling voortvloeit dat er sprake is van ongelijke delen dan wel de schuldeisers gezamenlijk één vorderingsrecht hebben. Eisers stellen dat dit laatste het geval is. Eisers hebben gesteld dat het hier om een ondeelbare prestatie van gedaagden gaat en hebben daartoe mede een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 4.4. van de als productie 8 overgelegde 'gebruikersovereenkomst'.

De kantonrechter is van oordeel dat uit de leningsovereenkomst voortvloeit dat er sprake is van een gezamenlijk vorderingsrecht van de betreffende schuldeisers bij de leningsovereenkomst. Daarbij kan in het midden blijven of - zoals door eisers gesteld en door gedaagden betwist - de 'gebruikersovereenkomst' tussen partijen tot stand gekomen is en onderdeel uitmaakt van de leningsovereenkomst, nu de tussen partijen vaststaande feiten aangaande de leningsovereenkomst reeds tot dit oordeel leiden. Zo staat vast dat Boober vanaf aanvang namens de gezamenlijke geldverstrekkers jegens Gedaagde 1 heeft gehandeld. Gedaagde 1 wist, althans kon weten dat het geleende bedrag van € 6.000,00 door meerdere geldverstrekkers gezamenlijk via Boober aan hem ter lening werd verstrekt. Ook door Intocash, de incassogemachtigde die na het faillissement van Boober is ingeschakeld, is steeds namens SBAG en dus namens de gezamenlijke geldverstrekkers gehandeld. De kantonrechter overweegt op grond van deze feiten en omstandigheden dat de betrokkenen kennelijk hebben bedoeld en ook over en weer hebben begrepen dat er als gevolg van de leningsovereenkomst sprake is van één ondeelbare prestatie, te weten het betalen door gedaagden aan de gezamenlijke schuldeisers van hetgeen ingevolge de leningsovereenkomst verschuldigd is, en dat de schuldeisers aldus gezamenlijk één vorderingsrecht hebben. Dit maakt ook dat niet relevant is dat, zoals gedaagden naar voren hebben gebracht, het totaal van de door de eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 ter leen verstrekte bedragen € 1.956,51 beloopt en gedaagden (meer dan) dat bedrag reeds hebben voldaan. Het gaat immers om het geheel van de betalingsverplichting van gedaagden uit hoofde van de leningsovereenkomst, in zoverre als gedaagden in nakoming daarvan jegens de gezamenlijke schuldeisers zijn tekortgeschoten.

Nu er sprake is van één gezamenlijk vorderingsrecht zijn de regels met betrekking tot gemeenschap van toepassing. Dit betekent dat ingevolge het bepaalde in artikel 3:171 BW ieder van de schuldeisers, waaronder derhalve de eisers sub 1,3 4 5 8 9 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 ten aanzien van wie inmiddels de aan de vordering ten grondslag gelegde overeenkomst is komen vast te staan, als deelgenoot zelfstandig bevoegd is tot het instellen van de onderhavige rechtsvordering ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Daarvoor is niet de betrokkenheid van de overige medeschuldeisers vereist. Nu eisers kenbaar hebben gemaakt deze procedure ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers bij de leningsovereenkomst en dus niet ieder voor zich te voeren, zijn de eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 ook zonder de overige schuldeisers ontvankelijk in hun vordering. Daarbij wordt nadrukkelijk overwogen dat indien en voor zover de vordering bij dit vonnis zal worden toegewezen, die veroordeling uitsluitend kan strekken tot betaling aan alle schuldeisers (de deelgenoten) gezamenlijk, hetgeen ook in het dictum tot uitdrukking zal worden gebracht. De verhouding tussen de schuldeisers onderling blijft daarbij buiten beschouwing nu deze het bestek van deze procedure te buiten gaat. Dit is een kwestie die tussen de eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 en de overige schuldeisers afzonderlijk zal moeten worden geregeld.

Zoals in het tussenvonnis van 24 april 2013 voor dat geval reeds overwogen, zal de vordering thans na de bewijslevering door de eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 op basis van de inhoud van de leningsovereenkomst verder dienen te worden beoordeeld. Vast staat dat gedaagden zijn tekortgeschoten in de nakoming van de leningsovereenkomst, nu zij hebben erkend na februari 2009 geen betalingen meer te hebben verricht en zij de door eisers gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet hebben betwist. De kantonrechter heeft gedaagden in voormeld tussenvonnis toegelaten tot het bewijs dat en hoeveel er meer is (terug)betaald dan € 2.281,80.

Gedaagden hebben bij akte na tussenvonnis gesteld dat zij de periodieke betalingen tot en met februari 2009 en een extra aflossingsbedrag van € 2.200,00 hebben betaald. Van de betaling van € 2.200,00 is geen betalingsbewijs in het geding gebracht. Gedaagden stellen niet (meer) over een leesbaar document te beschikken. Eisers hebben bij antwoordakte de door gedaagden gestelde betaling van € 2.200,00 betwist en voorts onder overlegging van een betalingsoverzicht en bankafschriften betaling tot het bedrag van € 2.525,33 erkend. De kantonrechter begrijpt het standpunt van eisers bij antwoordakte aldus dat zij hun vordering wat betreft hoofdsom en rente hebben verminderd tot het bedrag van € 4.776,63, te vermeerderen met een rente van 9,5% vanaf 8 maart 2011 tot de dag van voldoening, onder handhaving van het bij dagvaarding overigens gevorderde.

Daarmee is de betaling door gedaagden van het bedrag van € 2.525,33 tussen partijen komen vast te staan. Nu gedaagden van de gestelde extra betaling van € 2.200,00 geen betalingsbewijs hebben overgelegd, zijn zij niet geslaagd in het bewijs dat er boven het bedrag van € 2.525,33 nog meer door hen is betaald. Dit leidt er toe dat de na eisvermindering gevorderde hoofdsom ad € 4.776,63 zal worden toegewezen.

Gedaagden hebben verweer gevoerd tegen de gevorderde rente. De gevorderde contractuele rente van 9,5% zal worden afgewezen, nu de grondslag daarvoor na 8 maart 2011, zijnde de einddatum van de leningsovereenkomst waarop het gehele geleende bedrag inclusief rente en kosten moest zijn terugbetaald, ontbreekt. Wel toewijsbaar is, als het mindere, de wettelijke rente. Nu vast staat dat gedaagden per 8 maart 2011 het bedrag van € 4.776,63 verschuldigd zijn, dient het verweer van gedaagden in zoverre te worden verworpen en zal over dit bedrag de wettelijke rente vanaf 9 maart 2011 worden toegewezen.

Voorts hebben gedaagden verweer gevoerd tegen de door eisers gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten en de veroordeling van gedaagden in de proceskosten. Met betrekking tot de buitengerechtelijke kosten overweegt de kantonrechter dat bij beantwoording van de vraag of deze voor vergoeding in aanmerking komen een dubbele redelijkheidstoets dient te worden aangelegd. Deze kosten dienen in de gegeven omstandigheden zowel gezien de aanleiding om ze te maken als naar omvang redelijk te zijn. Naar het oordeel van de kantonrechter dienen uitsluitend de incassowerkzaamheden in de periode na de laatste betaling van gedaagden in februari 2009 in aanmerking te worden genomen. Het betreft aldus de werkzaamheden van de incassogemachtigde IntoCash. Deze heeft Gedaagde 1 voor het eerst bij brief van 6 maart 2012 aangeschreven en vervolgens op 20 maart 2012 dagvaarding aangezegd. Uit de corréspondentie is gebleken dat Gedaagde 1 heeft verzocht om nadere informatie over de vordering, hetgeen gezien het faillissement van Boober en de onbekendheid met de geldverstrekkers als een redelijk verzoek moet worden aangemerkt. Uit de stukken is de kantonrechter niet gebleken of en op welke wijze Gedaagde 1 vervolgens door de incassogemachtigde is geïnformeerd. In de brief van 29 juni 2012 staat weliswaar vermeld dat er stukken zijn bijgevoegd, maar deze zijn door eisers niet overgelegd. Een en ander maakt naar het oordeel van de kantonrechter dat weliswaar aan het eerste gedeelte van de redelijkheidstoets is voldaan, maar er gezien deze omstandigheden aanleiding bestaat tot beperking van de hoogte van de vergoeding. De kantonrechter zal deze vordering tot een bedrag van € 357,00 inclusief BTW toewijzen, onder afwijzing van het meer gevorderde.

Gedaagden zullen overeenkomstig artikel 237 lid 1 Rv als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Op grond van artikel 237 lid 1, slotzin Rv kan de kantonrechter kosten die nodeloos werden aangewend of veroorzaakt, voor rekening laten van de partij die deze kosten aanwendde of veroorzaakte. Gesteld noch gebleken is dat van zodanige kosten sprake is. De kosten aan de zijde van eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 worden begroot op:

dagvaarding € 98,97
griffierecht € 207,00
salaris gemachtigde € 600,00  (3 punten x tarief € 200,00)
totaal € 905,97

3. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, om aan de eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 tegen bewijs van kwijting te betalen € 5.133,63, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.776,63 vanaf 9 maart 2011 tot de voldoening;

verstaat dat deze veroordeling ex artikel 3:171 BW strekt tot betaling aan alle schuldeisers krachtens de leningsovereenkomst - waaronder de eisers sub 1, 3, 4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20 en 21 - gezamenlijk;

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, in die zin, dat wanneer de een betaalt, de ander tot de hoogte van die betaling zal zijn bevrijd, tot betaling van de proceskosten aan de zijde van de eisers sub 1,3,4, 5, 8, 9, 11, 12, 13, 16, 17, 19, 20en21,totde uitspraak van dit vonnis begroot op € 905,97, waarin begrepen € 600,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bouter-Rijksen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 september 2013.

Tussenvonnis

Vonnis van 24 april 2013

inzake

Eiser 1 t/m 24, gezamenlijk verder ook te noemen eisers, eisende partij,
gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, IntoCash,

tegen:

Gedaagde 1, wonende te verder ook te noemen Gedaagde 1;
Gedaagde 2, wonende te, verder ook te noemen Gedaagde 2;
gezamenlijk verder ook te noemen gedaagden, gedaagde partij, procederende in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding;
de conclusie van antwoord;
de conclusie van repliek;
de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Gedaagde 1 heeft via internet onder de nickname 'X' bij 'Boober' een aanmelding voor een lening gedaan. In een namens Boober Benelux BV verzonden bericht aan Gedaagde 1 staat:

"Beste X,
Hierbij hebben wij het genoegen je mede te delen dat je leningaanvraag #94 is uitbetaald op 08-mrt-2007. Het uiteindelijke toegewezen bedrag bedraagt € 6,000,00 en is gestort op bankrekening X op aangegeven datum.
Dit houdt tevens in dat we vanaf heden de maandelijkse termijnen gaan incasseren zoals in onderstaand schema aangegeven. (...) Verder dien je er uiteraard voor te zorgen datje rekening op de aangegeven incasso data beschikt over voldoende saldo.
(...)
Overzicht maandelijkse termijnen
(...)
Met vriendelijke groet, Het BOOBER team.
De gebruikersovereenkomst en de algemene voorwaarden van BOOBER zijn van toepassing op deze lening.
Boober Benelux BV”

Gedaagde 1 heeft het bedrag van € 6.000,00 ontvangen. Hij heeft ten minste 15 termijnbedragen van € 152,12, derhalve ten minste € 2.281,80, betaald.

In de brief van 18 januari 2008 van Boober Nederland B.V. (verder ook te noemen Boober) aan Gedaagde 1 staat onder meer vermeld:

“U bent in verzuim met de betaling van één of meerdere betalingstermijnen uit hoofde van de leningsovereenkomst bekend onder nummer 94.

Onder verwijzing van artikel 4.2 van de gebruikersverklaring zeggen wij hierbij, mede namens de uitleners van voornoemde leningsovereenkomst, deze leningsovereenkomst alsmede de overeenkomst met Boober op en voor zover nodig ontbinden wij dezen.
Mede namens de uitleners vordert Boober hierbij van u directe betaling van:
openstaand saldo € 5463,53 op 18-01-2008
+€ 207,58     vervallen niet betaalde rente
+£   12,50     vervallen niet betaalde commissie
+€   95,00     toekomstige commissie (tot einde lening)
+€5778,61     buitengerechtelijke incassokosten (BIK); 15% bovenstaande som met minimum van EUR 150
€6645,40    totale vordering
De totale vordering van € 6645,40 dient per direct overgemaakt te worden (...). Indien wij geen betaling hebben ontvangen binnen 7 dagen na heden, zijn wij genoodzaakt rechtsmaatregelen te nemen (...). "

In de brief van 19 mei 2008 van Boober aan Gedaagde 1 staat onder meer vermeld:

“Graag zouden wij met jou in contact komen om een passende oplossing voor de betalingsachterstand te maken.
(...) Op dit moment is de achterstand 5 termijnen en bedraagt inclusief kosten €1058.43.
Wij zouden het erg jammer vinden als wij dit niet zonder tussenkomst van een deurwaarder zouden kannen oplossen. Temeer daar de nieuwe termijnen al een tijdje goed gaan.
Van termijn 3 juni 2007 staat er nog een restant bedrag open van 115.12 graag dit bedrag per omgaande overmaken zodat wij deze kunnen uitbetalen aan de investeerders en de achterstand dan terug gebracht wordt naar 4 maanden.
Daarnaast verzoeken wij je met klem om een regeling voor te stellen voor het restant.
Boober is op 4 augustus 2009 failliet verklaard. Curator is mr. Chr. Groenewoud (verder ook te noemen de curator).
Na het faillissement van Boober is Stichting Boober Afwikkeling Gebruikersovereenkomsten (verder ook te noemen SBAG) opgericht. Via SBAG hebben personen die via Boober geld hebben uitgeleend zich verenigd."

In het tweede faillissementsverslag d.d. 7 april 2010 is, voor zover relevant, door de curator vermeld:

"(...) De curator heeft met de voormalig bestuurder en de aandeelhouders gecorrespondeerd over het completeren en inzichtelijk maken van de administratie betreffende de gebruikersovereenkomsten. De curator heeft voorts contact gehad met een vertegenwoordiger van de Peer-to-Peer Vereniging Nederland (PIVN) over de wijze waarop inzichtelijk kan worden gemaakt welke uitlener aan welke inlener geld heeft uitgeleend en wat het openstaande bedrag is. Er zal op korte termijn eindelijk een bespreking plaatsvinden. Daarna kan dan per "geldleenovereenkomst" aan de betreffende uitlener(s) de informatie worden verstrekt die nodig is om de (restant)vordering te incasseren. (...)"

In het vijfde faillissementsverslag d.d. 30 november 2011 is, voor zover relevant, door de curator vermeld:

"(...) De curator heeft - onverplicht - regelmatig contact gehad met vertegenwoordigers van Peer-to-peer Investeerders Vereniging Nederland (PIVN) en de Stichting Boober Afwikkeling Gebruiksovereenkomsten (SBAG) over de voortgang van hun werkzaamheden en de problemen die met name SBAG heeft gesignaleerd bij de uitoefening van hun werkzaamheden tot afwikkeling van de geldleningen. De curator heeft nogmaals benadrukt dat Boober geen partij is bij de geldleningen. (...)”

In de periode augustus-december 2011 heeft eiser sub 4, mede namens anderen, Gedaagde 1 telefonisch en per e-mail benaderd en hem tot betaling aangemaand.

Bij brief van 6 maart 2012 heeft IntoCash namens SBAG aan Gedaagde 1 bericht, voor zover relevant:

"Uit de administratie van onze cliënt SBAG is gebleken dat u onderstaande vordering niet heeft betaald. (...)
Wij ontvingen de opdracht om tot het incasseren van de navolgende vordering over te gaan:
Factuurnr.  Datum   Vervaldatum  Bedrag   Rente   Totaal
94  26-03-2011   07-01-2012  €5.430,83     € 35,02  €5.465.85
Hoofdsom €5.465,85
Buitengerechtelijke kosten € 700,00
BTW 19% € 133.00
Voldaan €   - 0.00
Totaal € 6.298,85
Cliënt heeft uw betalingen verwerkt tot en met 06 maart 2012. De buitengerechtelijke kosten komen voor uw rekening (...)
Wij geven u de mogelijkheid de kwestie in der minne af te doen door binnen 5 werkdagen (...) het bedrag van €6.298,85 te voldoen (...). "

Een vergelijkbaar bericht is door IntoCash bij e-mail d.d. 13 maart 2012 aan Gedaagde 1 gezonden.

Gedaagde 1 heeft bij e-mail van 13 maart 2012 aan IntoCash geschreven:

"(...) Graag zou ik van u willen weten wat dit voor vordering is aangezien er bij mij niets bekend is. (...)"

Nadat namens IntoCash bij e-mail van 13 maart 2012 was geantwoord "Het gaat om de lening die u via Boober heeft afgesloten. ", heeft Gedaagde 1 bij e-mail van 14 maart 2012 gereageerd met "Hier ben ik en mijn vrouw al vaker over lastiggevallen en hier is mij niets van bekend. ". Vervolgens heeft IntoCash bij e-mail van 14 maart 2012 geantwoord "Indien u het bedrag niet geleend heeft, is het onverschuldigd op uw rekeningnummer betaald. De invordering wordt dan ook voortgezet. ".

Bij brief van 29 juni 2012 heeft IntoCash aan Gedaagde 1 bericht, voor zover relevant:

"In bovengenoemde zaak heeft u op 20 maart aangegeven dat u geen lening heeft afgesloten. U verzocht om bewijsstukken van de vordering.
Bijgaand treft u de bewijsstukken van de vordering zoals wij deze hebben ontvangen van de curator. Uw verweer gaat niet op en u dient het navolgende te voldoen:”

3. Het geschil

Eisers vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van gedaagden, hoofdelijk, om aan eisers te voldoen € 6.398,56 (bestaande uit € 5.430,83 aan hoofdsom, e 134,73 aan rente tot 21 augustus 2012 en € 833,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 21 augustus 2012 tot de voldoening en met veroordeling van gedaagden, hoofdelijk, in de proceskosten.

Ter onderbouwing van die vordering stellen eisers dat zij door bemiddeling van Boober met gedaagden een geldleningsovereenkomst zijn aangegaan en gedaagden jegens eisers toerekenbaar tekort zijn geschoten in de nakoming daarvan door verschuldigde termijnbedragen, ondanks sommaties, onbetaald te laten. Eisers stellen dat zij tot opzegging van de overeenkomst zijn overgegaan, tengevolge waarvan de gehele lening direct opeisbaar is geworden. Eisers maken aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke kosten nu gedaagden in verzuim zijn geraakt, respectievelijk eisers de vordering uit handen hebben moeten geven.

Gedaagden hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van eiseres in de proceskosten.

Gedaagden baseren hun verweer - kort weergegeven - op het volgende. Gedaagden betwisten niet geld te hebben geleend, maar betwisten - bij gebrek aan wetenschap -dat eisers partij zijn bij de geldleningsovereenkomst. Gedaagden beroepen zich op het ontbreken van onderliggende stukken. Gedaagden voeren in dat verband ook aan dat zij niet door de curator zijn geïnformeerd. Voorts stellen gedaagden zich op het standpunt dat zij meer hebben betaald dan hetgeen eisers hebben gesteld.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Eisers baseren hun vordering primair op een overeenkomst van geldlening die volgens hen via de bemiddeling van het inmiddels failliete Boober in 2007 tot stand gekomen is tussen eisers enerzijds en gedaagden anderzijds. Dat er door gedaagden een overeenkomst betreffende een geldlening met een hoofdsom van € 6.000,00 is aangegaan, staat in deze zaak niet ter discussie. Ook staat - als door gedaagden niet, althans niet gemotiveerd betwist - vast dat gedaagden geen geldleningsovereenkomst met Boober zelf zijn aangegaan. Wel is in geschil of gedaagden een overeenkomst met eisers zijn aangegaan en eisers derhalve op die grondslag gedaagden op nakoming kunnen aanspreken. Het meest verstrekkende verweer van gedaagden, zoals de kantonrechter dit verweer heeft begrepen, richt zich daartegen.

Eisers hebben in dat verband gesteld dat hoewel gedaagden als inleners niet bekend waren met de identiteit van eisers als uitleners, gedaagden op basis van de overeenkomst die middels Boober is gesloten een rechtstreekse rechtsverhouding zijn aangegaan met eisers als uitleners. Volgens eisers heeft de curator - via SBAG - aan hen stukken verstrekt ten bewijze van de overeenkomst, bestaande uit de stukken die in afschrift als productie 1 bij dagvaarding zijn gevoegd, alsmede een lijst van de uitleners. Deze stukken zouden ook aan gedaagden zijn verstrekt. De stukken die in afschrift als productie 1 in het geding zijn gebracht betreffen de door Gedaagde 1 gedane aanmelding voor de lening en het namens Boober Benelux BV verzonden bericht aan Gedaagde 1, zoals hiervoor onder de feiten onder 2 vermeld. Een afschrift van de volgens eisers door de curator verstrekte lijst van inleners is door eisers in deze procedure niet overgelegd.

Nu eisers zich op de rechtsgevolgen van de gestelde overeenkomst beroepen, ligt het op hun weg om bij betwisting het bewijs van die overeenkomst te leveren. De kantonrechter overweegt dat het bewijs van de door eisers gestelde overeenkomst op grond van de door eisers in het geding gebrachte stukken en de door gedaagden niet weersproken stelling dat zij via Boober het bedrag van € 6.000,00 ter leen hebben ontvangen, niet reeds geleverd is. Daarmee staat immers niet vast dat gedaagden de door eisers gestelde overeenkomst met eisers zijn aangegaan. Nu eisers bewijs hebben aangeboden van de door hen gestelde overeenkomst zal de kantonrechter aan eisers zodanig bewijs, als hierna in het dictum zal worden geformuleerd, opdragen.

Indien eisers er niet in slagen dat bewijs te leveren, zal de vordering op de primaire grondslag - overeenkomst van geldlening - worden afgewezen. Alsdan zal beoordeeld moeten worden of de vordering toewijsbaar is op grond van de door eisers subsidiair aangevoerde grondslag, te weten terugvordering wegens onverschuldigde betaling dan wel schadevergoeding wegens ongerechtvaardigde verrijking. Daar waar eisers zich in de dagvaarding subsidiair hebben beroepen op 'onverschuldigde verrijking' houdt de kantonrechter het er voor dat zij daarmee onverschuldigde betaling dan wel ongerechtvaardigde verrijking zullen hebben bedoeld. De kantonrechter overweegt in dit verband reeds nu voor alsdan dat zowel in het geval van onverschuldigde betaling als bij ongerechtvaardigde verrijking in de eerste plaats vast zal moeten komen te staan, dat het door Gedaagde 1 ontvangen bedrag van € 6.000,00 afkomstig was uit het vermogen van (een of meer) eisers. Nu eisers bewijs hebben aangeboden zal de kantonrechter om proceseconomische redenen reeds nu voor alsdan aan eisers zodanig bewijs, als hierna in het dictum zal worden geformuleerd, opdragen.

Slagen eisers er wel in het bewijs van de door hen gestelde overeenkomst bijeen te brengen, dan zal daarmee de aan de vordering ten grondslag gelegde overeenkomst vaststaan en zal de vordering op basis van de inhoud van die overeenkomst verder dienen te worden beoordeeld. Voor dat geval staat reeds vast dat gedaagden zijn tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, nu zij hebben erkend na februari 2009 geen betalingen meer te hebben verricht en zij de door eisers gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid niet hebben betwist. In hoeverre de vordering van eisers alsdan voor toewijzing vatbaar zal zijn, zal te gelegener tijd nader moeten worden vastgesteld. Gedaagden hebben in dat verband nog aangevoerd dat er meer zou zijn (af)betaald dan het door eisers gestelde totale bedrag van 6 2.281,80. Bewijs daarvan, zoals door overlegging van de betreffende bankafschriften of stortingsbewijzen waaruit betaling boven het bedrag van € 2.281,80 blijkt, is niet geleverd. De kantonrechter zal gedaagden in de gelegenheid stellen zodanig bewijs te leveren, als hierna in het dictum zal worden bepaald.

De kantonrechter gaat er uit effïciëncy-oogpunt vooralsnog van uit dat alle bewijslevering aaneengesloten zal plaatsvinden en dat pas daarna weer een inhoudelijk vonnis zal worden gewezen. Indien partijen een andere gang van zaken wenselijk achten, dienen zij dit in hun akte (onder opgaaf van redenen) kenbaar te maken. Indien partijen het bewijs (mede) wensen te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dienen zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien partijen het bewijs willen leveren door het doen horen van getuigen, dienen zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan tot na de hiervoor bedoelde bewijslevering.

5. De beslissing

De kantonrechter:

draagt eisers op om te bewijzen dat tussen eisers en gedaagden een overeenkomst van geldlening tot stand gekomen is, op grond waarvan (een of meer) eisers aan (een of meer) gedaagden (al dan niet hoofdelijk) een bedrag van in totaal € 6.000,00 ter leen hebben verstrekt;

draagt eisers op - voor het geval eisers niet mochten slagen in het onder 5.1. opgedragen bewijs - om te bewijzen dat het door Gedaagde 1 ontvangen bedrag van € 6.000,00 geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit het vermogen van (een of meer) eisers;
draagt gedaagden op om te bewijzen dat en hoeveel er in verband met het door Gedaagde 1 ontvangen bedrag van 6 6.000,00 meer is (terug)betaald dan € 2.281,80;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 22 mei 2013 teneinde beide partijen in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs willen leveren;

bepaalt dat, indien partijen (mede) bewijs willen leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moeten brengen;

bepaalt dat, indien partijen bewijs willen leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

de namen en woonplaatsen van de getuigen dienen op te geven;

moeten opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dienen bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

bepaalt dat:

voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

indien partijen geen gebruik maken van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A. Bouter-Rijksen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.