Vordering toegewezen, mondeling overeengekomen voorwaarden bij lening betwist

De eisers waren lid van de club van de gedaagde. Hiervoor moesten zij entreegeld betalen van €1.250,- en een lening verstrekken van €1.250,-. Het entreegeld hadden beide eisers direct voldaan. Vervolgens hebben de eisers het lidmaatschap opgezegd, maar heeft de gedaagde de lening niet terug willen betalen. Volgens de gedaagde was het de bedoeling dat partijen het entreegeld en de achtergestelde lening van €1.250,- in een achtergestelde lening van €2.500,- met bepaalde voorwaarden zouden omzetten. Dit zou volgens de gedaagde zo besproken zijn tussen de eisers, de penningmeester en de manager van de club. Dit wordt door de eisers betwist. Daarmee is het aan de club om te bewijzen dat ze deze voorwaarden zijn overeengekomen. Hier blijkt de club niet toe in staat aangezien tijdens de comparitie blijkt dat alleen de penningmeester in een gesprek de voorwaarden zou hebben besproken. Dit is echter een partijgetuige, waardoor zijn verklaring weinig bewijskracht heeft. Dit is het enige bewijs wat de gedaagde kan leveren en daarmee beoordeelt de rechter dat onvoldoende.

Datum: 2 december 2015
Rechtbank: Rechtbank Almere
Zaaknummer: 4164548 MC EXPL 15-5598

Vonnis

inzake

1.   Eiser 1, en

2.   Eiser 2,

beiden wonende te,

verder ook te noemen Eiser 1 en Eiser 2,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie.

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung (Incassobureau IntoCash),

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Gedaagde,

gevestigd te,                                                                                                               

verder ook te noemen Gedaagde, gedaagde partij in conventie, verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: mr.

1. De procedure

1.1.         Het verloop van de procedure blijkt uit:

-    het tussenvonnis van 19 augustus 2015

-    de conclusie van antwoord in reconventie

-    het proces-verbaal van comparitie van 5 november 2015.

1.2.         Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en in reconventie.

2.1. Eiser 1 en Eiser 2 zijn in 2012 lid geworden van de Gedaagde.

2.2. Hiervoor waren zij een entreegeld van € 1.250,00 per persoon verschuldigd en dienden zij beiden aan de Gedaagde een achtergestelde lening van € 1.250,00 te verstrekken. Beiden hadden daarop reeds een bedrag van € 1.250,00 per persoon voldaan. Dit bedrag had betrekking op het entreegeld.

2.3. Op 23 februari 2014 hebben Eiser 1 en Eiser 2 een overeenkomst van achtergestelde geldlening getekend. In beide overeenkomsten is het volgende opgenomen:

In aanmerking nemende dat:

A.  Het Lid het lidmaatschap heeft van de club;

B.  Het Lid in het kader daarvan een renteloze achtergestelde lening met nummer 12502 van €1.250,00 en entreegeld van € 1.250,00 om te zetten naar één nieuwe rentedragende achtergestelde lening van € 2.500,00: waarbij de bestaande lening van €1.250,00 en het entreegeld verval; en

C.  Het Lid in het kader daarvan 2 termijnen van € 625,00 heeft betaald en aan te vullen met een bedrag van € 1250,00 naar één nieuwe rentedragende achtergestelde lening van € 2500,00; waarbij de bestaande lening van € 1250,00 vervalt; en

D.  Partijen in deze overeenkomst (de 'Overeenkomst') de voorwaarden van bedoelde leningen(en) (nader) wensen vastte leggen,

Komen overeen als volgt:

Artikel 1 - Rentedragende achtergestelde lenine

1.1.      Partijen komen hierbij overeen dat de bepalingen van deze Overeenkomst, de bepalingen die gelden voor de Bestaande Lening met ingang van 1 januari 2014 integraal vervangen, als gevolg waarvan de bepalingen van de bestaande Lening met ingang van die datum komen te vervallen.

1.2.      Betaling van het bedrag van de Lening. Voor zover die betaling nog niet heeft plaatsgevonden, dient terstond plaats te vinden na ontvangst van de betreffende factuur op een door de club aangegeven rekeningnummer.

2.5. Het lidmaatschap van Eiser 1 en Eiser 2 is beëindigd per 1 januari 2015.

3. Het geschil en de beoordeling daarvan

in conventie

3.1. Eiser 1 en Eiser 2 vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van Gedaagde om aan

Eiser 1 een bedrag van € 888,18 aan hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot 14 april van € 4,17, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 14 april 2015 tot aan de dag der algehele voldoening:

aan Eiser 2 een bedrag van € 930,68 te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum tot aan 14 april 2015, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 14 april 2015 tot de dag der algehele voldoening;

een bedrag van € 272,83 vermeerderd met € 57,29 aan BTW, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening,

met veroordeling van Gedaagde tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de nakosten voor zover gedaagde niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis heeft voldaan en de kosten van de dagvaarding.

3.2. Ter onderbouwing van die vordering stellen Eiser 1 en Eiser 2 dat de Gedaagde, ondanks aanmaningen, geweigerd heeft de voor hen, na verrekening met de nog verschuldigde contributie en kosten over 2014, resterende en op grond van de betreffende overeenkomsten verschuldigde bedragen van de achtergestelde leningen terug te betalen. Eiser 1 en Eiser 2 maken aanspraak op de wettelijke rente en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten nu zij genoodzaakt waren de vordering uit handen te geven.

3.3.  Gedaagde voert als verweer aan dat het de uitdrukkelijke bedoeling van partijen was dat de omzetting van de aanvankelijk overeengekomen achtergestelde lening en entreegeld in een nieuwe geldleningsovereenkomst slechts zou plaatsvinden indien beide eisers terstond ieder het nog resterende bedrag van € 1.250,00 zouden voldoen en dat dit in die zin ook door de penningmeester en de manager van de Gedaagde met Eiser 1 en Eiser 2 is besproken.

3.4.   Eiser 1 en Eiser 2 betwisten dat een dergelijke voorwaarde aan de omzetting van het entreegeld en de achtergestelde lening van € 1.250,00 in een achtergestelde lening van € 2.500,00 is besproken of is overeengekomen.

3.5.  Vaststaat dat het aanbod om nieuwe achtergestelde leningen aan te gaan, is gedaan omdat nieuwe leden van Gedaagde geen entreegeld meer verschuldigd waren en de Gedaagde leden die kort voor afschaffing van het entreegeld lid waren geworden, tegemoet wilde komen. De door de Gedaagde gestelde voorwaarde die zou zijn verbonden aan de omzetting in de nieuwe achtergestelde leningen, blijkt echter niet uit de tekst van de betreffende overeenkomsten zelf en evenmin uit de handelwijze van de Gedaagde. Zij heeft, zoals ter comparitie is gebleken, niet erop aangedrongen dat de betaling van de resterende € 1.250,00 terstond zou geschieden. Zij heeft ook niet ter zake "facturen" gezonden. Zij heeft in plaats daarvan maandelijks getracht een deel van de vordering te incasseren. Gelet op de achtergrond van het aanbod van de Gedaagde, hoefden Eiser 1 en Eiser 2 niet zonder meer te verwachten dat de door Gedaagde gestelde voorwaarde zou gelden. Daarvoor is nodig dat tussen partijen de betreffende voorwaarde aan de orde is geweest en dat Eiser 1 en Eiser 2 daarmee hebben ingestemd. Het is aan de Gedaagde te bewijzen dat deze voorwaarde is overeengekomen.

3.6.  Ter comparitie is gebleken dat namens de Gedaagde alleen de penningmeester in een gesprek met Eiser 1 en Eiser 2 de betreffende voorwaarde aan de omzetting in de nieuwe achtergestelde leningen zou hebben besproken. De club heeft aangeboden hem als getuige te horen. Nu die getuige echter partijgetuige is, komt aan zijn verklaring maar beperkte bewijskracht toe. Omdat aanvullend bewijs voor het verweer van de Gedaagde ontbreekt - de enkele omstandigheid dat afgesproken zou zijn dat eerst rente verschuldigd zou zijn over de achtergestelde lening indien het gehele bedrag zou zijn voldaan, levert geenszins bewijs op voor het bestaan van bedoelde voorwaarde, moet het ervoor worden gehouden dat de nieuwe achtergestelde leningen zonder de door Gedaagde gestelde voorwaarde zijn overeengekomen. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsommen, - de uitgeleende bedragen verminderd met de nog openstaande contributie en kosten over 2014 - die voor wat betreft de hoogte niet zijn bestreden alsook de wettelijke rente daarover waarvoor het zelfde geldt, toewijsbaar zijn.

3.7.     Eiser 1 en Eiser 2 maken aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt vast dat de eisende partij voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen evenals de daarover gevorderde wettelijke rente.

3.8.     Als in het ongelijk gestelde partij zal Gedaagde in de kosten van het geding, gevallen aan de zijde van De Roode en Eiser 2, worden veroordeeld, vermeerderd met de wettelijke rente daarover en de nakosten die als na te melden worden toegewezen.

in reconventie

3.9.  Gedaagde vordert veroordeling van Eiser 1 en Eiser 2 tot betaling van de nog openstaande contributie en kosten over 2014, vermeerderd met rente en met veroordeling van Eiser 1 en Eiser 2 in de kosten van het geding.

3.10.  Nu de nog openstaande contributie en kosten over 2014 reeds zijn verrekend door Eiser 1 en Eiser 2 met hun vordering uit hoofde van de achtergestelde leningen, zal deze vordering worden afgewezen.

3.1 1.  Gelet op vorenstaande zullen de kosten als na te melden worden gecompenseerd.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

veroordeelt Gedaagde om aan Eiser 1 tegen bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 888,18 en aan Eiser 2 een bedrag van € 930,68, telkens vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 april 2015 tot de voldoening, alsmede aan Eiser 1 een bedrag van € 4.17 en aan Eiser 2 een bedrag van € 4,37 aan wettelijke rente verschuldigd tot 14 april 2015 en aan De Roode en Eiser 2 samen een bedrag van € 330,12 inclusief BTW aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum van dit vonnis;

veroordeelt Gedaagde tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser 1 en Eiser 2, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op

€ 94,19 aan explootkosten,

€ 221,00 aan vastrecht, en

€ 300,00 aan salaris gemachtigde, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt Gedaagde, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Eiser 1 en Eiser 2 volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 75,00 aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Dijk, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 december 2015.