Vordering toegewezen na betwisting juistheid energiekosten

Er is een schriftelijke huurovereenkomst tussen de eiser en meerdere de gedaagden. Deze huurovereenkomst is geëindigd, maar er is nog steeds een achterstallige huur. Volgens de huurders zou er namelijk geen sprake zijn van een achterstallige huur, aangezien er meerder malen contant is betaald aan de verhuurder. Echter is hier helemaal geen bewijs van. Ook betwisten de huurders dat de energiekosten veel te hoog zijn, maar ook dit wordt niet onderbouwd of gemotiveerd. Bovendien had hij de kans om aan de huurcommissie te vragen om een uitspraak hierover te doen. Dit is niet gedaan. Wat de verhuurder vraagt is dan ook toewijsbaar en de huurder wordt in het ongelijk gesteld.

Datum: 21 maart 2012
Rechtbank: 's-Gravenhage. Sector kanton, locatie 's-Gravenhage
Zaaknummer: 1083942 \ RL EXPL 11-20177

Vonnis

in de zaak van:

EISER, wonende te, eisende partij, hierna te noemen: Eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, IntoCash te Rotterdam, tegen

GEDAAGDE SUB 1 en GEDAAGDE SUB 2, wonende, gedaagde partij,

hierna te noemen: Gedaagden,

gemachtigde: mr., advocaat te .

Procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende, hier als herhaald en ingelast te beschouwen stukken, waaruit tevens het procesverloop blijkt: de dagvaarding van 28 juni 2011;

de conclusie van antwoord op de rol van 7 september 2011;

de in het geding gebrachte producties. Na de conclusie van antwoord is bij mondeling vonnis een comparitie van partijen gelast voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking. Deze heeft plaatsgevonden op 23 november 2011. Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van wat ter zitting is besproken. Een schikking is niet bereikt. Ter comparitie is door de kantonrechter mondeling vonnis gewezen. Daarbij is bepaald dat Gedaagden. worden toegelaten tot bewijslevering van hun stelling dat zij in april en mei 2011 contante betalingen aan Eiser hebben gedaan van € 800,-respectievelijk € 950,-. Deze bewijsopdracht is vastgelegd in een brief van de griffier aan partijen d.d. 29 november 2011. Bij brief van 27 februari 2012 heeft Mr. meegedeeld dat Gedaagden. niet in staat zijn om het opgedragen bewijs te leveren en verzocht vonnis te wijzen. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

Feiten

Op grond van hetgeen door partijen over en weer is gesteld en blijkt uit overgelegde stukken, een en ander voorzover niet of onvoldoende weersproken, kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan:

Bij schriftelijke huurovereenkomst heeft Eiser aan Gedaagden. verhuurd de woning aan de Scheldestraat 115 te 's-Gravenhage, zulks met ingang van 1 oktober 2010 en tegen een huurprijs van € 950,- (inclusief € 150,- voorschot servicekosten).

Eind mei 2011 is de huurovereenkomst geëindigd en hebben Gedaagden de woning verlaten.

Vordering en verweer

Eiser vordert Gedaagden bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 2.595,96 vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.222,-- vanaf de vervaldag van de huurtermijnen tot de dag der voldoening, alsmede proceskosten.

Naast de voren vermelde feiten legt hij daaraan - kort zakelijk weergegeven - ten grondslag dat Gedaagden in gebreke zijn gebleven met de tijdige en volledige voldoening van de huur en servicekosten. Over de periode januari tot en met mei 2011 is na verrekening van de waarborgsom nog een bedrag verschuldigd van € 2.222,--. Behalve dat bedrag vordert hij een bedrag ad € 16,96 wegens wettelijke rente tot 21 juni 2011 en een bedrag ad € 357,- wegens buitengerechtelijke incassokosten (inclusief BTW).

Gedaagden concluderen tot niet ontvankelijk verklaring van Eiser in zijn vorderingen, althans tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Eiser in de proceskosten. Kort zakelijk weergegeven houdt het verweer in dat er geen huurachterstand van betekenis opgetreden is. Eind maart 2011 was er een huurachterstand van € 490,-. Naast de in productie 2 bij de dagvaarding vermelde girale betalingen hebben zij in april en mei 2011 ook nog tweemaal € 800,- contant aan Eiser betaald. Bij de laatste betaling heeft Gedaagden ook nog een bedrag ad € 50,- extra betaald voor energieverbruik. Zij betwisten de door Eiser berekende energiekosten ad € 992,-. Ter comparitie van partijen hebben Gedaagden. hun stellingen in dier voege gewijzigd, dat zij stellen in april en mei 2011 contant aan Eiser een bedrag ad € 800,- respectievelijk € 950,-- te hebben voldaan.

Beoordeling

Hoewel daartoe conform hun aanbod in de gelegenheid gesteld, hebben Gedaagden geen bewijs geleverd van hun stellingen dat zij aan Eiser meer betaald hebben dan blijkt uit de door Eiser in het geding gebrachte overzichten.

Gedaagden hebben gesteld dat zij de door Eiser berekende energiekosten ad € 992,-betwisten. Zij hebben die betwisting echter in het geheel niet onderbouwd of gemotiveerd. In productie 2 bij de dagvaarding is een specificatie gegeven van deze kosten en de wijze waarop deze zijn berekend. De ongemotiveerde betwisting van de juistheid daarvan door Gedaagden kan hen niet baten en is onvoldoende om te oordelen dat deze kosten niet door hen verschuldigd zijn. Bovendien hadden Gedaagden de mogelijkheid om, als zij het met deze kosten niet eens waren, daarover op de voet van artikel 7:260 BW aan de Huurcommissie te verzoeken een uitspraak te doen. Gesteld noch gebleken is dat zij dat gedaan hebben.

Uit het voorgaande volgt dat de door Eiser gevorderde hoofdsom toewijsbaar is. Tegen de meegevorderde rente is geen zelfstandig verweer gevoerd. Ook deze is derhalve toewijsbaar. Hetzelfde geldt voor de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Bovendien is door Eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk kosten zijn gemaakt ter verkrijging van voldoening buiten rechte, welke niet vallen onder die waarvoor de in de artikelen 237 tot en met 240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te houden. Het terzake deze kosten gevorderde bedrag is in overeenstemming met het hiervoor gebruikelijke tarief en derhalve redelijk te achten.

Als in het ongelijk gestelde partij dienen Gedaagden. te worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot op heden vast te stellen op € 90,81 wegens dagvaardingskosten, € 202,- wegens griffierecht en € 350,- wegens salaris van zijn gemachtigde; in totaal derhalve € 642,81.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Gedaagden hoofdelijk, aldus dat betaling door een van hen de ander in zoverre bevrijdt, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Eiser te betalen de somma van € 2.595,96 vermeerderd met de wettelijke rente over de achterstallige huurtermijnen of gedeelten daarvan vanaf de vervaldag tot die der voldoening;

stelt de proceskosten aan de zijde van Eiser tot op heden vast op € 642,81 en veroordeelt Gedaagden hoofdelijk tot betaling daarvan aan Eiser;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.S. Wiarda, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 maart 2012.