Wanprestatieverweer onvoldoende onderbouwd

Partijen zijn rond juni 2010 een franchiseovereenkomst aangegaan. De in totaal 21 facturen die volgen uit deze overeenkomst worden niet betaald door gedaagde. Gedaagde vordert op zijn beurt terugbetaling van alle tot op heden betaalde bedragen aan de eiser. Hiertoe stelt de gedaagde dat de eiser niet aan haar zorgplicht heeft voldaan en dat de betaalde bedragen niet in verhouding staan tot de geleverde tegenprestatie. De gedaagde verbindt daaraan kennelijk de conclusie dat hij daarom niet, of in ieder geval niet volledig, hoeft te betalen. De eiser is al eerder uitgebreid ingegaan op dit wanprestatieverweer. Volgens de eiser heeft juist de gedaagde zich niet aan de overeenkomst gehouden. Van de gedaagde werd nu verwacht dat hij zijn stelling dat er sprake is van wanprestatie nader zou onderbouwen. Dit heeft hij niet of nauwelijks gedaan. Hierdoor veroordeeld de rechter de gedaagde om alle facturen te betalen.

Datum: 20 november 2013
Rechtbank: Noord-Holland, Afdeling Privaatrecht, sector Kanton, locatie Alkmaar
Zaaknummer: 2103243 \ CV EXPL 13-2532

Vonnis

in de zaak van:

de commanditaire vennootschap Eiser, tevens h.o.d.n., gevestigd te, eisende partij in conventie / verwerende partij in reconventie verder ook te noemen: Eiser,

gemachtigde: mr. E.C.Y. Cheung, werkzaam bij IntoCash te Rotterdam

tegen

Gedaagde, wonende te, gedaagde partij in conventie / eisende partij in reconventie verder ook te noemen: Gedaagde procederend in persoon.

Het procesverloop

Voor het procesverloop verwijst de kantonrechter naar de volgende stukken:

de dagvaarding van 10 juni 2013 met producties;
de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie;
de conclusie van repliek met producties, tevens houdende conclusie van antwoord in reconventie;
de conclusie van dupliek in conventie, tevens houdende conclusie van repliek in reconventie;
de conclusie van dupliek in reconventie.

Vervolgens is op vandaag uitspraak bepaald.

Het geschil

in conventie

Eiser vordert betaling van een bedrag van € 13.324,12 van Gedaagde. Ook vordert Eiser betaling van rente en incassokosten. Daarbij stelt Eiser - kort weergegeven - het volgende. Partijen zijn omstreeks juni 2010 een franchiseovereenkomst zijn aangegaan. Gedaagde is tekortgeschoten in de nakoming van zijn betalingsverplichting uit deze overeenkomst door in totaal 21 facturen niet te voldoen. Door dit verzuim is Gedaagde de wettelijke rente verschuldigd geworden van € 289,09, berekend tot 3 juni 2013. Tevens is Eiser door het uitblijven van betaling genoodzaakt geweest haar vordering uit handen te geven en buitengerechtelijk kosten te maken, welke kosten worden vastgesteld op € 908,24 en voor rekening van Gedaagde dienen te komen.

Gedaagde heeft verweer gevoerd, waarop - voor zover van belang - nader bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

in reconventie

Gedaagde vordert terugbetaling van alle tot op heden betaalde bedragen aan Eiser. Hiertoe stelt Gedaagde dat Eiser niet aan haar zorgplicht heeft voldaan en dat de betaalde bedragen niet verhouding staan tot de geleverde tegenprestatie.

Eiser heeft verweer gevoerd, waarop - voor zover van belang - nader bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De beoordeling

in conventie

In de eerste plaats voert Gedaagde als verweer aan dat hij geen contractspartij is bij de onderhavige franchiseovereenkomst maar X, waarvan hij bestuurder is. De kantonrechter volgt Gedaagde niet in zijn stelling. Uit de door Eiser overgelegde overeenkomst (productie 1 bij dagvaarding) blijkt dat Gedaagde zich contractueel hoofdelijk naast X heeft verbonden tot nakoming van de verplichtingen uit de hoofde van de franchiseovereenkomst. Gedaagde heeft de overeenkomst (ook) in privé ondertekend. Ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub c j° lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is hiervoor geen toestemming vereist van de echtgenote van Gedaagde.

Voorts stelt Gedaagde dat Eiser toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van uit hoofde van de franchiseovereenkomst op haar rustende verplichtingen. Gedaagde verbindt daaraan kennelijk de conclusie dat hij daarom niet, of in ieder geval niet volledig, hoeft te betalen. In haar conclusie van repliek is Eiser uitgebreid ingegaan op dit wanprestatieverweer. Volgens Eiser heeft juist Gedaagde zich niet aan de overeenkomst gehouden. Van Gedaagde had gezien de gemotiveerde betwisting door Eiser, op zijn minst genomen, verwacht mogen worden dat hij zijn stelling dat er sprake is van wanprestatie nader zou concretiseren en met feiten en omstandigheden zou onderbouwen, hetgeen hij heeft nagelaten. In zijn conclusie van dupliek heeft Gedaagde niet of nauwelijks inhoudelijk gereageerd op de stellingen van Eiser. Hij heeft in feite volstaan met de stelling dat met betrekking tot de financiële prognoses een te rooskleurig beeld is geschetst en dat te weinig ondersteuning is geboden, zonder daarop een nadere toelichting te geven. De kantonrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat Gedaagde zijn stelling dat Eiser tekort is geschoten onvoldoende heeft onderbouwd zodat deze zal worden gepasseerd. Van een tussentijdse beëindiging van de franchiseovereenkomst (door één van de partijen) wegens wanprestatie is overigens niet gebleken.

De vordering tot betaling van een hoofdsom van € 13.324,12, waartegen voor het overige geen verweer is gevoerd, ligt voor toewijzing gereed. Ook de gevorderde rente zal worden toegewezen, omdat Gedaagde in verzuim is gekomen met tijdige betaling van de onderhavige facturen en de vordering op dit punt overigens niet is betwist.

Gedaagde heeft geen bezwaar gemaakt tegen buitengerechtelijke incassokosten. Nu de gevorderde buitengerechtelijke kosten ter zake waarvan Gedaagde in verzuim is geraakt deels zien op vorderingen van vóór 1 juli 2012 en deels op vorderingen van op of na 1 juli 2012, zal de kantonrechter uit praktische overwegingen ervoor kiezen om de gehele vordering te toetsen aan de oude regeling (Rapport VoorWerk). Daarom zijn de gevorderde buitengerechtelijke kosten toewijsbaar tot een bedrag van € 800,00 (exclusief btw).

De uitslag van de procedure brengt mee dat de proceskosten voor rekening van Gedaagde komen. Daarbij wordt Gedaagde ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan gevorderde nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door Eiser worden gemaakt.

in reconventie

Gelet op hetgeen in conventie is overwogen en beslist, zal de vordering in reconventie worden afgewezen.

De proceskosten komen voor rekening van Gedaagde, welke -gelet op de nauwe samenhang met de conventie- op nihil worden gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

Veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van € 14.413,21, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 13.324,12 vanaf 3 juni 2013 tot de dag van betaling.

Veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, die tot heden voor Eiser worden vastgesteld op een bedrag van € 1.572,71 (€ 76,71 aan dagvaardingskosten, € 896,00 aan griffierecht en een bedrag van € 600,00 voor salaris van de gemachtigde van Eiser) en veroordeelt Gedaagde tot betaling van € 100,00 aan nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door Eiser worden gemaakt.

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

Wijst de vordering af.

Veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, die tot heden voor Eiser worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van Rijn, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en op 20 november 2013 in het openbaar uitgesproken.