De bewindvoerder moet voor de gefactureerde kinderopvang betalen

8 oktober 2020 | Rechtbank Almere | 7951357 MC EXPL 19-6638 ML/1133

Samenvatting

De eiser is een kinderdagverblijf. Het kinderdagverblijf wil dat de gedaagde de facturen voor de opvang van zijn kinderen betaalt. De gedaagde staat onder bewind. De kinderopvang is van mening dat de bewindvoerder zijn werk niet goed doet, omdat de kinderen van gedaagde van de opvang gebruik hebben gemaakt, zonder dat de bewindvoerder heeft geregeld dat dit betaald kon worden. De kinderopvang is daarom een procedure tegen de bewindvoerder gestart.

Volgens de bewindvoerder zijn er geen openstaande vorderingen over de periode vóór 1 januari 2018. Ook geeft de bewindvoerder aan dat de overeengekomen en afgenomen opvanguren ná 2018 zijn betaald. De uren die de gedaagde na 2018 bij de kinderdagopvang heeft afgenomen en niet door de bewindvoerder zijn goedgekeurd, hoeven niet betaald te worden. De kinderdagopvang wist namelijk dat zij hierover afspraken moesten maken met de bewindvoerder, en niet met de gedaagde. Dat de gedaagde desondanks van de kinderopvang gebruikt heeft gemaakt, komt voor rekening van het kinderdagverblijf.

De rechter bekijkt de correspondentie. In augustus 2018 hebben de bewindvoerder en het kinderdagverblijf een betalingsregeling gesloten omtrent de schulden. De rechter acht het daarom zeer onwaarschijnlijk dat over de periode vóór 1 januari geen schulden bestaan. Voor de niet-geaccordeerde uren beslist de rechter anders. De factuur omtrent de extra genoten kinderdagopvang heeft het kinderdagverblijf namelijk aan de gedaagde gericht. Het blijkt nergens uit dat het kinderdagverblijf de extra uren aan opvang heeft afgestemd met de bewindvoerder.

Er is afgesproken dat niet meer dan 1,4 keer door de gedaagde gewerkte uren mag worden besteed aan kinderdagopvanguren. Daarnaast staat de gedaagde onder bewind en is niet zelf in staat om over extra af te nemen opvanguren te beslissen. Daarom komt het feit dat de gedaagde heeft gekozen voor de extra dagopvanguren, voor risico en rekening van het kinderdagverblijf.

De facturen moeten grotendeels betaald worden door de bewindvoerder. De bewindvoerder wordt veroordeeld als de in ongelijk gesteld partij en moet de proceskosten betalen.

Vonnis

inzake

Eiser,

wonende te,

verder ook te noemen Eiser,

eisende partij,

gemachtigde: Incassobureau IntoCash,

tegen:

Bewindvoerder,

wonende te Almere,

verder ook te noemen Bewindvoerder,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. W.F. Wienen.

1.         De procedure

1 .1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 30 oktober 2019;
– de door Eiser nagezonden producties 8 en 9;
– de door Eiser nagezonden producties 10 en 11;
– de door Bewindvoerder nagezonden producties 3, 4 en 5;
– de mondelinge behandeling van 29 november 2019, waarvan door de griffie aantekeningen zijn gemaakt;
– de op 10 december 2019 door Bewindvoerder nagezonden productie (3). Hiermee zal productie 6 bedoeld zijn;
– de reactie van Eiser van 10 december 20 i 9 op de nagezonden productie.

1.2.      Ten slotte is vonnis bepaald.

2.         De feiten

2.1.      Gedaagde staat sinds 11 april 2013 onder bewind. Bewindvoerder is de huidige bewindvoerder. Eiser is eigenaar van Het kinderdagverblijf. Het kinderdagverblijf is een kinderdagverblijf. De kinderen van Gedaagde hebben kinderopvang genoten op Het kinderdagverblijf.

2.2.      Eiser heeft met betrekking tot de kinderopvang van de kinderen van Gedaagde veertien onbetaalde facturen in het geding gebracht, waarvan vijf facturen uit 2016, zes facturen uit 2017 en drie facturen uit 2018. De facturen tellen op tot een bedrag van E 18.249,90. In de factuur van 28 mei 2018 zijn kosten voor “extra genoten kinderopvang” op 2 februari 2018, 9 februari 2018, 2 maart 2018, 16 maart 2018, 30 maart 2018, 4 mei 2018, II mei 2018 en 18 mei 2018 in rekening gebracht.

2.3.      In een e-mailbericht van 13 oktober 2017 heeft de toenmalige advocaat van Eiser, mr. De Vries, het volgende aan Bewindvoerder geschreven:

“In aansluiting op uw laatste schrijven van 8 augustus jongstleden bericht ik u dat ik onlangs van cliënt heb vernomen dat er een betaling van 0500,– aan hem is overgemaakt. Op een vordering van 16.275,88 is dit een druppel op een gloeiende plaat. Cliënt wenst thans van u te vernemen binnen welke termijn de rest van de vordering zal worden voldaan en in hoeverre de toeslagen van kinderopvang reeds door de Belastingdienst aan u zijn uitbetaald (…)”

2.4.      In een e-mailbericht van 16 oktober 2017 heeft Bewindvoerder het volgende aan de (toenmalige) advocaat van Eiser terug geschreven:

“(…)

De belastingdienst heeft weer gegevens opgevraagd echter omdat mevr. minder uren gewerkt

hebt ben ik bang dat daar geen nabetaling uit zal volgen.

Recentelijk op 5 oktober he ik 750 euro overgemaakt en maandelijks wordt de schuld met 100

euro afgelost

Op het moment dat ik iets meer overhou za ik ook extra overmaken,

We zetten echt alles op alles om dit zsm op te lossen.

2.5.      In een e-mailbericht van 17 januari 2018 van mr. M aan Bewindvoerder staat het volgende:

“Inmiddels ook een reactie binnen van de kinderopvanginstellingen. Zie bijlage.

lk zal morgen namens mw. Gedaagde kort gaan betogen dat mw. Gedaagde geen (verwijtbare) nieuwe schulden heeft laten ontstaan, dat zij haar best heeft gedaan en dat zij jou telkens op de hoogte heeft gehouden van wijzigingen in haar situatie.

Ik zal verder aangeven dat door een samenloop van omstandigheden zoals door jou beschreven (waar de kinderopvanginstellingen niet van op de hoogte zijn geweest) e. e. a. kennelijk mis is gegaan, Dan is het de bedoeling dat jij daar de toelichting op zal geven zoals in uw onderstaande e-mail aangegeven. Ik zal niet namens jou verweer gaan voeren.

Positief is dat de kinderopvanginstellingen aangeven geen vordering te hebben op mw,. Gedaagde. Ik hoop dat dit voldoende is voor de rechter. (…)”

2.6.      In een brief van 17 januari 2018 van de heer A. Waterheuvel aan mr. M staat het volgende:

“Naar aanleiding van ons prettige telefoongesprek van hedenmorgen 17 januari 2018. graag het volgende, Vrijdag 11 januari hebben wij dhr. W. Eiser eigenaar kinderdagverblijf Het kinderdagverblijf en dhr. A, Waterheuvel van het kindercentrum op verzoek van mw. Gedaagde een gesprek gevoerd over de ontstane situatie wat betreft kinderopvang kosten.

Hierin zijn wij tijdens ons gesprek, tot de conclusie gekomen dat de ontstane problemen niet aan mw. Gedaagde zijn toe te wijzen, maar aan de bewindvoerder mw. Bewindvoerder van Schakelbewindvoering, dat is degene die de afhandeling van de kinderopvang op haar heeft genomen, en daar verantwoordelijk voor is en zorg draagt voor aanvragen en betalingen, de ontstane problemen zijn wat ons betreft aan boven genoemde bewindvoerder te wijten.

Dit is wat wij hebben besproken mey mw. Gedaagde, nogmaals willen wij hierbij bevestigen dat Gedaagde geen schulden bij de bovengenoemde kinderopvang heeft.

Wij hopen u voldoende te hebben geïnformeerd,

Met vriendelijke groet,

A. Waterheuvel,

W Eiser

Ondertekend: ook namens dhr. Eiser

[handtekening]

Waterheuvel Almere 17 januari 2018″

2.7.       In een e-mailbericht van 26 januari 2018 van Eiser aan Bewindvoerder staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“Afgesproken is dat de uren afname afhankelijk is van de gewerkte uren van mw Gedaagde. Deze zal de regel van 1,4 keer aantal gewerkte uren niet mogen overschrijden zoals de WKO aangeeft. (….)”

2.8.       In een e-mailbericht van 26 april 2018 van Eiser aan Bewindvoerder staat het volgende:

“Graag ontvang ik van u het schrijven gestuurd naar de rechtbank. Is er een brief getekend namens mij?? Ik zou gebeld worden en dat is niet gebeurd!!! Ik wil weten wie dat gedaan heeft!!! Graag ZSM de informatie.”

2.9.       In een e-mailbericht van 23 augustus 2018, met als onderwerp “betalingsregeling”, heeft Bewindvoerder het volgende aan Eiser geschreven:

“Ik hoor graag nog even de juiste stand van zaken h’m de betalingen die maandelijks gedaan

zijn, de wettelijke verplichting. Zoals ik in mijn laatste mail heb aangegeven.

Verder zal ik 100 euro elke 26ste van de maand aflossen op de achterstand. (…)”

2.10.     In een e-mailbericht van 8 oktober 2018, met als onderwerp “vervallen betaal afspraak”, heeft Eiser het volgende aan Bewindvoerder geschreven:

“(..,) Ik verwijs hierbij naar het eerder door it verzonden bericht van 23 augustus 2018. U bent de gemaakte betalingsafspraak niet nagekomen waardoor deze is komen te vervallen. (…)”

2.11. Eiser heeft via zijn incassogemachtigde meerdere sommatiebrieven aan Bewindvoerder gezonden in verband niet onbetaalde facturen ter zake door de kinderen van Bruswijk genoten kinderopvang.

3. Het geschil

3.1.   Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van Bewindvoerder om aan Eiser te voldoen € 20.212,60 (bestaande uit E 18.249,90 aan hoofdsom, E 804,12 aan rente tot 18 juli 2019 en € 1.158,58 aan buitengerechtelijke incassokosten inclusief btw), te vermeerderen niet de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 18 juli 2019 tot de voldoening en niet veroordeling van Bewindvoerder in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2.   Ter onderbouwing van die vordering stelt Eiser dat Bewindvoerder jegens Eiser toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de verplichtingen ingevolge de tussen partijen gesloten overeenkomst, doordat de kinderen van Gedaagde van de kinderopvang van Eiser gebruik hebben kunnen maken zonder dat Bewindvoerder voor betaling heeft zorg gedragen

3.3.     Bewindvoerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van Eiser in de proceskosten. Volgens Bewindvoerder heeft Eiser geen vorderingen meer op Gedaagde over de periode vóór 1 januari 2018 en zijn de overeengekomen en afgenomen kinderopvanguren van ná 2018 gewoon betaald. De uren die Gedaagde na 2018 bij Eiser heeft afgenomen en niet door Bewindvoerder zijn geaccordeerd, hoeven niet betaald te worden, omdat Eiser wist dat hij hierover geen afspraken met Gedaagde mocht maken. Dat hij Gedaagde desondanks toch van de kinderopvang gebruik heeft laten maken, komt voor zijn rekening.

3.4.     Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang. nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.     Door Bewindvoerder is niet betwist dat de kinderen van Gedaagde de uren kinderopvang hebben genoten bij Eiser zoals in de facturen weergegeven.

De facturen tot 2018

4.2.   Uit de e-mailberichten van 13 en 16 oktober 2017 (zie 2.3. en 2.4.) volgt dat er in het
najaar van 2017 nog een bedrag van 16.275,88 openstond en dat Bewindvoerder probeerde dit zo goed mogelijk af te betalen. Het verweer van Bewindvoerder dat uit de brief van 17 februari 2018 (zie 2.6.) volgt dat er op dat moment geen schuld meer bij Eiser openstond. wordt door de kantonrechter niet gevolgd. De brief is kennelijk ondertekend door de heer Waterheuvel, die, zo is ter zitting komen vast te staan, ook een kinderopvangbedrijf heeft of heeft gehad, waar de kinderen van Gedaagde ook naar toe zijn geweest. Dat Waterheuvel de brief mede namens Eiser heeft geschreven, is onvoldoende onderbouwd in het licht van de gemotiveerde betwisting van Eiser op zitting en in de overgelegde correspondentie. Eiser heeft immers in zijn e-mail van 26 april 2018 (zie 2.8.) Bewindvoerder al om uitleg gevraagd over een brief die ten onrechte namens hem zou zijn gestuurd.

4.3.      Nog afgezien van de tekortschietende onderbouwing dat de brief van 17 februari 2018 daadwerkelijk namens Eiser is verzonden, wordt overwogen dat het, gelet op het feit dat de schuld in oktober nog zo hoog was, zeer onwaarschijnlijk is dat deze in zo’n kort bestek is afbetaald, dus tussen 13 oktober 2017 en 17 februari 2018. Dit blijkt ook nergens uit. Integendeel, in augustus 2018 (zie 2.9.) maden Eiser en Bewindvoerder verder over betalingsregeling en een achterstand, Ook overigens heeft Bewindvoerder niet onderbouwd dat de schuld bij Eiser in februari 2018 is afbetaald. Dat de schuld is kwijtgescholden blijkt ook nergens uit. Het heeft er alle schijn van dat Waterheuvel Gedaagde heeft willen helpen in het WSNP-traject te blijven door in strijd met de werkelijkheid aan haar advocaat te verklaren dat er geen sprake was van een schuld. Kennelijk gaat dat zo. Een oordeel hierover zal de kantonrechter achterwege laten. Maar dat er daadwerkelijk geen schuld meer openstond bij Eiser vanwege de opvang van de kinderen van Gedaagde, volgt verder nergens uit.

De facturen vanaf 2018

4.4.     Zoals reeds is overwogen wordt niet betwist dat de kinderen van Gedaagde daadwerkelijk de kinderopvanguren hebben genoten die Eiser vanaf 2018 in rekening heeft gebracht. Wel is het de vraag of Eiser vanaf 2018 teveel uren bij Bewindvoerder in rekening heeft gebracht omdat de kinderen van Gedaagde niet meer dan 1,4 maal de door Gedaagde gewerkte uren van de opvang gebruik mochten maken (zie 2.7.) en zij kennelijk vanaf juni 2018 helemaal niet meer werkte. Voorop staat dat Bewindvoerder als bewindvoerder verantwoordelijk is voor de handelingen van Gedaagde die vermogensrechtelijke gevolgen hebben. Als Gedaagde in de loop van 2018 minder uren is gaan werken, had het op de weg van Bewindvoerder gelegen daar Eiser over te informeren om te voorkomen dat er teveel kinderopvang zou worden afgenomen. Eiser kan dat immers niet controleren en Bewindvoerder wel. Dat Eiser door Bewindvoerder tijdig is gewaarschuwd. is niet gesteld of gebleken.

Dit is anders voor de “extra genoten kinderopvang” zoals gefactureerd op 28 mei 2018. Blijkens de factuur van 28 mei 2018 heeft Eiser Gedaagde op meerdere dagen van extra kinderopvang gebruik laten maken (zie 2.2.). De factuur niet “extra genoten kinderopvang” heeft hij bovendien aan Gedaagde zelf gericht . Het blijkt nergens uit dat hij deze extra opvang met Bewindvoerder heeft afgestemd. Gelet op de afspraak dat er niet meer dan 1,4 maal de door Gedaagde gewerkte uren mag worden afgenomen en de wetenschap dat Gedaagde onder bewind staat en niet zelf over extra af te nemen uren mag beslissen, komt het voor zijn risico en rekening dat hij de betreffende dagen kinderopvang aan de kinderen van Gedaagde heeft geboden.

Het eindoordeel is dan ook dat Bewindvoerder voor gefactureerde kinderopvang in 2018 dient te betalen, uitgezonderd de “extra genoten kinderopvang” van 1.291,36.

Conclusie: de facturen dienen grotendeels door Bewindvoerder betaald te worden

4.5.       Dat betekent dat de vordering tot een bedrag van € 16,958,54 wordt toegewezen. De renteberekening klopt hierdoor niet meer. Toegewezen wordt de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding.

4.6.       Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van € 957,50 aan buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt niet overeen niet het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen tot een bedrag van € 944,58.

Eiser vordert tevens wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten. Niet gesteld of gebleken is echter dat Eiser deze kosten al daadwerkelijk aan haar gemachtigde heeft betaald of met de betaling daarvan in verzuim verkeert en als zodanig vermogensschade heeft geleden. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal daarom niet worden toegewezen.

4.7.       Bewindvoerder zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Eiser worden begroot op:

– dagvaarding €103,07
– griffierecht €486,00
salaris gemachtigde € 720,00 (2 punten x tarief E 360.00)

Totaal € 1.309,07

5.          De beslissing

De kantonrechter:

5.1.       veroordeelt Bewindvoerder om aan Eiser tegen bewijs van kwijting te betalen € 17.903,12, met de wettelijke rente over € 16.958,54 vanaf de dagvaarding tot de voldoening;

5.2.       veroordeelt Bewindvoerder tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Eiser, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € I.309,07, waarin begrepen € 720,00 aan salaris gemachtigde;

5.3.       verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.       wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Loots, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken door mr. R.P.P. Hoekstra op 22 januari 2020.

Mis geen tips en nieuwe wetten!

Nieuwe wetgeving over huur en incasso? Oordelen van de rechtbank? Relevante tips? Blijf bij. Schrijf je gratis in voor onze maandelijkse update. 👇🏻

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Start een chatgesprek
Stuur ons een bericht