Door onrechtmatig handelen moet eiser de daadwerkelijke proceskosten van de gedaagde betalen

21 februari 2021 | Rechtbank Rotterdam | 8847688 \ CV EXPL 20-38994

Samenvatting

De gedaagde (mevrouw V) heeft bij een online winkel een sieradenkast en een kaptafel besteld. Omdat de kaptafel kapot geleverd werd, heeft mevrouw V geklaagd bij de verkoper en de koop gedeeltelijk ontbonden. Mevrouw V heeft alleen betaald voor de sierradenkast. De verkoper (eiser) is vervolgens een rechtszaak gestart. Mevrouw V heeft IntoCash gevraagd om haar bij te staan in de procedure als gemachtigde.

Geen inhoudelijke reactie
IntoCash heeft aangevoerd dat eiser niet inhoudelijk heeft gereageerd op de klachten van mevrouw V en dat mevrouw V door deze handelswijze op kosten is gejaagd. IntoCash vordert daarom dat de eiser wordt veroordeeld om de daadwerkelijke kosten van juridische bijstand aan mevrouw V te betalen.

De beoordeling
De rechter ziet in de stukken dat mevrouw V inderdaad meerdere keren heeft aangegeven het niet eens te zijn met de vordering van de eiser. Ook ziet de rechter dat de eiser dit verweer op geen enkele manier in zijn dagvaarding heeft opgenomen.

Volgens de kantonrechter staat het vast dat de kaptafel beschadigd aan mevrouw V is geleverd en dat zij vervolgens de koopovereenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden. Op grond van de artikelen 6:270 BW en 6:271 BW vervalt daarmee de verdere betalingsverplichting van mevrouw V.

De uitspraak
De eiser verliest de zaak en moet de proceskosten aan mevrouw V betalen. Omdat de eiser onrechtmatig heeft gehandeld, beslist de rechter dat de eiser de daadwerkelijk gemaakte proceskosten van mevrouw V moet betalen.

Vonnis

in de zaak van

Eiser
gevestigd in Leiden,
eiseres,

tegen

wonende in Rotterdam,
gedaagde,
gemachtigde: IntoCash Incasso | Juristen te Rotterdam.

1. Het verloop van de procedure

1.1. Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • het exploot van dagvaarding van 9 oktober 2020, met producties;
  • de conclusie van antwoord, niet producties.

1.2. Eiser heeft, hoewel zij daartoe in de gelegenheid is gesteld. niet meer op de door Gedaagde genomen conclusie van antwoord gereageerd.

1.3. De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis vervolgens nader bepaald op vandaag.

2. De vordering

2.1. Eiser heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Gedaagde te veroordelen om aan haar te betalen € 136,99 aan hoofdsom, E 4,30 aan verschenen rente berekend tot 5 oktober 2020 en € 40,00 aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 5 oktober 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, één en ander met veroordeling van Gedaagde in de proceskosten.

2.2. Aan haar vordering heeft Eiser – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende ten grondslag gelegd. Gedaagde heeft bij Webshop een sieradenkast en een kaptafel gekocht, waarbij zij heeft gekozen voor betaling achteraf via Klarna. Gedaagde is echter in gebreke gebleven met de volledige en tijdige betaling van de ter zake hiervan door Klarna aan
haar verzonden factuur van 1 maart 2019, waardoor nog een bedrag van 136,99 door Gedaagde moet worden betaald. Klarna heeft haar vordering op Gedaagde vervolgens aan Eiser gecedeerd. Doordat de betalingstermijn van de factuur inmiddels is verstreken, maakt Eiser aanspraak op de wettelijke rente over het nog openstaande factuurbedrag. De verschenen wettelijke rente bedraagt E 4,30 berekend tot 5 oktober 2020. Bovendien zag Eiser zich door de wanbetaling van Gedaagde genoodzaakt om haar vordering ter incasso uit handen te geven en buitengerechtelijke incassokosten te maken. Die kosten ten bedrage van € 40,00 moet Gedaagde ook aan Eiser betalen.

3. Het verweer

3.1. Het verweer van Gedaagde strekt tot het nietig verklaren van de dagvaarding, dan wel niet-ontvankelijkheid, dan wel afwijzing van de vordering van Eiser, met primair
veroordeling van Eiser in de daadwerkelijke kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 302,50 inclusief btw, dan wel subsidiair het gemachtigdensalaris.

3.2. Daartoe heeft Gedaagde – zakelijk weergegeven en voor zover van belang – het volgende aangevoerd.

3.2.1. Eiser heeft niet aan haar substantiëringsplicht voldaan, aangezien zij niet alle feiten heeft weergegeven en zij het verweer van Gedaagde eveneens achterwege heeft gelaten. De
dagvaarding moet daarom nietig worden verklaard, althans Eiser moet niet-ontvankelijk worden verklaard althans haar vordering moet worden afgewezen.

3.2.2. Gedaagde betwist dat Webshop haar vordering op Gedaagde aan Klarna heeft gecedeerd en dat Klarna die vordering op haar beurt rechtsgeldig aan Eiser heeft overgedragen.

3.2.3. Gedaagde heeft eind februari 2019 een kaptafel en een sieradenkast bij Webshop besteld voor een totaalbedrag van € 222,98. De kaptafel ter waarde van € 136,99 heeft Gedaagde op 3 maart 2019 ontvangen, maar het bureaublad was beschadigd en de schroeven en de spiegel ontbraken. Gedaagde heeft daarop contact opgenomen met Webshop, foto’s opgestuurd en aangegeven dat zij de kaptafel wilde retourneren. Webshop heeft de ontvangst van deze foto’s op 6 maart 2019 bevestigd. Gedaagde heeft daarmee binnen de zichttermijn gereageerd en de koop gedeeltelijk ontbonden. Webshop reageerde niet op berichten van Gedaagde en bovendien was Webshop telefonisch niet bereikbaar. Webshop heeft op 16 mei 2019, 21 mei 2019 en 23 mei 2019 ineens aangegeven dat zij geen foto’s zou hebben ontvangen, terwijl zij de ontvangst van die foto’s begin maart 2019 nog heeft bevestigd. Ook Klarna en Eiser hebben niet inhoudelijk gereageerd op de klachten van Gedaagde.

3.2.4. De vordering is ten onrechte ter incasso overgedragen. Gedaagde is daarom geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. Gedaagde is bovendien niet in verzuim, zodat zij ook geen wettelijke rente is verschuldigd. Tot slot wordt Gedaagde door deze handelwijze op kosten gejaagd en tot wanhoop gedreven. Er is onrechtmatig jegens Gedaagde gehandeld, aangezien niet inhoudelijk is gereageerd en de vordering herhaaldelijk ten onrechte ter incasso is overgedragen. Gezien het voorgaande moet Eiser de daadwerkelijke kosten van juridische bijstand ten bedrage van € 302,50 inclusief btw aan Gedaagde betalen.

4. De beoordeling

4.1. Het uitgangspunt voor de beoordeling van ieder civiel geschil is dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op basis van hetgeen partijen aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd. Partijen zijn daarbij op grond van het bepaalde in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig en naar waarheid aan te voeren. Dit brengt ook mee dat partijen de voor de beslissing van belang zijnde stukken overleggen.

4.2. Aangezien Eiser geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om op de door Gedaagde genomen conclusie van antwoord te reageren, moet hetgeen Gedaagde daarin heeft aangevoerd tussen partijen als juist en in de onderhavige procedure als vaststaand worden aangenomen. Uit de door Gedaagde ingenomen stellingen (en de door haar ter onderbouwing daarvan overgelegde producties) blijkt dat Gedaagde voorafgaand aan de procedure veelvuldig verweer tegen de vordering van Eiser heeft gevoerd, terwijl Eiser dit verweer op geen enkele wijze in haar dagvaarding heeft vermeld.

4.3. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat Eiser niet alle voor de beslissing van belang zijnde feiten en omstandigheden volledig heeft aangevoerd en evenmin alle voor de beslissing van belang zijnde stukken heeft overgelegd. Er is derhalve sprake van een schending van artikel 21 Rv. Voor nietigverklaring van de dagvaarding ziet de kantonrechter geen aanleiding nu Gedaagde in haar conclusie van antwoord heeft kunnen reageren op de dagvaarding en niet valt in te zien dat zij in haar mogelijkheid om verweer te voeren is geschaad. De kantonrechter zal in het kader van de proceskostenveroordeling nog wel terugkomen op de handelwijze van Eiser.

4.4. Met betrekking tot de vordering van Eiser overweegt de kantonrechter als volgt. Als onweersproken staat tussen partijen vast dat de kaptafel (waar de vordering van Eiser feitelijk betrekking op heeft) beschadigd aan Gedaagde is geleverd en dat zij vervolgens de koopovereenkomst gedeeltelijk heeft ontbonden. Op grond van de artikelen 6:270 BW en 6:271 BW is daarmee de verdere betalingsverplichting van Gedaagde komen te vervallen.

4.5. Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van Gedaagde betalen. De kantonrechter overweegt in dit verband als volgt.

4.5.1. Het uitgangspunt is dat de proceskosten van Gedaagde aan de hand van het liquidatietarief worden begroot. Slechts onder buitengewone omstandigheden bestaat een volledige vergoedingsplicht van de proceskosten, waarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Er is pas sprake van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (als grond voor een vergoedingsplicht ter zake van alle in verband met een procedure gemaakte kosten), als het instellen van de vordering gelet op de evidente ongegrondheid ervan – in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als de eisende partij zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende, dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 van het EVRM (vgl. Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360).

4.5.2. Naar het oordeel van de kantonrechter is in het onderhavige geval sprake van misbruik van procesrecht c.q. onrechtmatig handelen. Gelet op de (onweersproken gelaten) verweren van Gedaagde en de daarvan uit de producties gebleken evidente ongegrondheid van de vordering van Eiser had Eiser het instellen van de onderhavige vordering achterwege moeten laten. Door desondanks de onderhavige vordering in te stellen, heeft Eiser Gedaagde op kosten gejaagd die zij niet had behoeven te maken als zij zich niet tegen de vordering van Eiser had behoeven te verweren. Dit belang van Gedaagde had Eiser ervan moeten weerhouden om de onderhavige vordering in te stellen.

4.5.3. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Eiser wordt veroordeeld om de daadwerkelijke proceskosten van Gedaagde te betalen, die zij onbetwist heeft begroot op € 302,50 inclusief btw aan salaris voor haar gemachtigde.

5. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt Eiser in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gedaagde begroot op € 302,50 inclusief btw aan salaris voor haar gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken op een openbare terechtzitting.

Start chatgesprek
Stuur een bericht