Gedaagde moet de boete wegens contractbreuk betalen

8 oktober 2020 | Rechtbank Overijssel | 8497537/ CV EXPL 20-1831

Samenvatting

Tussen twee partijen is een overeenkomst van opdracht gesloten. De gedaagde heeft de eiser opdracht gegeven om namens hem een energiecontract af te sluiten. De eiser sluit altijd voor meerdere bedrijven tegelijk een contract af, waardoor hij lage tarieven voor alle bedrijven kan regelen. De deelnemende bedrijven betalen voor deze deal een maandelijkse vergoeding aan de eiser.

Voor de gedaagde heeft de eiser in 2016 een energiecontract afgesloten van 3 jaar. In 2017 geeft de gedaagde aan dat hij zijn bedrijf gaat verkopen. De eiser heeft in reactie op dat bericht aan de gedaagde medegedeeld dat het voortijdig beëindigen van het contract leidt tot een boete. Er is dan namelijk sprake van contractbreuk. De gedaagde heeft het energiecontract toch beëindigd en bij een andere partij een contract afgesloten. Hierna heeft de eiser een factuur gestuurd naar de gedaagde voor het voortijdig beëindiging van de overeenkomst.

De gedaagde is van mening dat hij deze factuur niet hoeft te betalen. De gedaagde voert aan dat de overeenkomst tot stand is gekomen na een ongevraagd bezoek van de eiser. Ook zou hij binnen een paar dagen dan wel binnen veertien dagen na ondertekening van het deelnameformulier, telefonisch hebben meegedeeld dat hij van de deelname af zag.

Allereerst merkt de rechter op dat het draait om een overeenkomst tussen twee bedrijven, niet tussen een consument en een bedrijf. De gedaagde heeft immers gehandeld namens zijn eenmanszaak. Met het ondertekenen van de overeenkomst is de gedaagde ook akkoord gegaan met de algemene voorwaarden. In deze algemene voorwaarden is opgenomen dat contractbreuk leidt tot een boete. Deze boete is daarmee rechtsgeldig.

Dat de overeenkomst is gesloten na ongevraagd bezoek door een medewerker van de eiser, doet voor de geldigheid van de boete niet ter zake. Ook is er geen bewijs dat de gedaagde de overeenkomst binnen 14 dagen telefonisch heeft afgezegd. Dit gegeven is zelfs tegenstrijdig met e-mails uit 2017 waarin de gedaagde mededeelt te willen stoppen met de overeenkomst.

De vordering wordt toegewezen en de gedaagde moet de kosten van de procedure betalen.

Vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Eiser B.V.,

eisende partij, hierna te noemen Eiser,

gemachtigde: mr. Cheung van IntoCash te Rotterdam,

tegen

Gedaagde, handelend onder de naam

Gedaagde,

wonende en zaakdoende te

gedaagde partij, hierna te noemen Gedaagde,

verschenen in persoon.

1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

– de dagvaarding,
– de conclusie van antwoord,
– de conclusie van repliek,
– de conclusie van dupliek.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten
2.1. De eenmanszaak De Uitweg, zijnde een zorgboerderij, van Gedaagde heeft op 11 december 2016 met Eiser een overeenkomst van opdracht gesloten door middel van een door Gedaagde ondertekend deelnameformulier. Deelname houdt – kort gezegd – in dat de deelnemer Eiser opdracht geeft en machtigt om voor de levering van energie aan hem via collectieve inkoop met daardoor lagere tarieven energiecontracten af te sluiten, waarbij de deelnemer voor de levering van gas en elektriciteit maandelijks een vergoeding betaalt aan Eiser.

2.2. De Uitweg had contracten met Eneco voor de levering van gas en elektriciteit met als einddatum 12 augustus 2019.

2.3. Bij brief van 5 december 2016 heeft Eiser de deelname van De Uitweg schriftelijk bevestigd voor een contractperiode van 3 jaar. Bij de brief zijn de algemene voorwaarden van Eiser als bijlage meegestuurd.

2.4. Gedaagde heeft op 6 april 2017 aan Eiser bericht:

“Ik heb mijn bedrijf waarschijnlijk verkocht eind dit jaar en ik stop als ondernemer”.

2.5. Eiser heeft in reactie op dit bericht aan Gedaagde op 5 mei 2017 aan Gedaagde medegedeeld dat gas en stroom op basis van de inschrijving reeds voor hem zijn ingekocht en hem geadviseerd de leveringsovereenkomst door de nieuwe eigenaar te laten overnemen teneinde een boete voor contractbreuk te voorkomen. Verder hebben zij medegedeeld dat bij opzegging een boete wegens contractbreuk in rekening zal worden gebracht vanuit de energieleverancier en vanuit Eiser. Voorts is vernield dat Gedaagde de boete vanuit Eiser bijgaand ontvangt.

2.6. Gedaagde reageert hierop bij e-mail van 5 mei 2017 aan Eiser met de volgende zin:

“Maar het is nog lang niet zeker dus wachten we het eerst maar af of de verkoop door gaat.”

2.7. Bij e-mailbericht van Eiser aan De Uitweg c.q. Gedaagde van 12 juni 2018 is bevestigd dat 12 augustus 2019 de startdatum is van de nieuwe contracten voor gas en elektriciteit via collectieve inkoop door Eiser, met als leverancier Total Gas & Power. Eiser heeft bij die gelegenheid Gedaagde in algemene zin er voor gewaarschuwd geen energiecontracten met derden aan te gaan om boetes te voorkomen.

2.8. Rond de ingangsdatum van de energielevering aan Gedaagde heeft deze van Eiser een factuur voor de maandelijkse bijdrage ontvangen (die niet in het geding is gebracht).

2.9. Op 20 november 2019 heeft Eiser aan De Uitweg een factuur gezonden ter afrekening van de voortijdige beëindiging van de overeenkomst met Eiser met een bedrag van € 1.208,91.

2.10. Gedaagde heeft geen betaling(en) aan Eiser gedaan.

3. Het geschil
3.1. De vordering

Eiser vordert veroordeling van Gedaagde tot betaling van een bedrag van E 1.208,91, vermeerderd met rente – primair de overeengekomen rente en subsidiair de wettelijke handelsrente – vanaf de vervaldatum tot aan de dag van volledige betaling en vermeerderd met buitengerechtelijke incassokosten van € 181,34, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voorts vordert Eiser proceskosten, inclusief nakosten,

3.2. Het verweer

De kantonrechter begrijpt het verweer van Gedaagde aldus dat hij – samengevat ­concludeert tot afwijzing van de vordering omdat hij binnen een paar dagen dan wel binnen veertien dagen na ondertekening van het deelnameformulier van Eiser telefonisch heeft meegedeeld van deelname af te zien omdat hij er geen goed gevoel bij had, rugklachten had en daarom wilde stoppen met het bedrijf. Op 6 april 2017 heeft hij Eiser doen weten dat hij waarschijnlijk aan het eind van het jaar zijn bedrijf verkocht heeft en dat hij stopt als ondernemer. Op dat bericht is hij op 5 mei 2017, toen hij een factuur wegens beëindiging kreeg, die hij niet kon betalen, teruggekomen met de verklaring dat verkoop onzeker was en hij dat eerst maar wilde afwachten. Omdat hij een beëindigingsfactuur ontving rond 20 augustus 2019 heeft hij aangegeven (aan Eiser?) dat hij zich afvraagt waar de voorgehouden besparing is die bij aangaan van het contract was beloofd. Voorts is Gedaagde er blijkens zijn verweer van uitgegaan dat (meestal per e-mail) ontvangen rekeningen valse rekeningen waren. Tenslotte heeft Gedaagde persoonlijke omstandigheden genoemd, waarmee veel tijd gemoeid is geweest.

4. De beoordeling
4.1. De kantonrechter is van oordeel dat de overeenkomst geen overeenkomst betreft tussen een consument en een handelaar in de zin van afdeling 2b van Boek 6 van het BW c.q. geen consumentenkoop betreft in de zin van artikel 7:5 lid 1 B W. Gedaagde heeft de overeenkomst immers voor zijn bedrijf De Uitweg gesloten, hetgeen is bevestigd met zijn mededelingen, in relatie tot (voortzetting van) de overeenkomst, over het al dan niet langer ondernemen en/of verkopen van het bedrijf.

4.2. Gedaagde heeft door ondertekening van het deelname formulier Eiser gemachtigd om voor zijn eenmanszaak via collectieve inkoop energiecontracten voor zijn bedrijf af te sluiten. Met die ondertekening heeft hij voorts verklaard akkoord te gaan met de op cle achterzijde van het formulier vermelde algemene voorwaarden alsmede niet de in de algemene voorwaarden vermelde maandelijkse bijdrage aan Eiser. Gedaagde heeft de ondertekening bevestigd, maar aangevoerd dat hij geen kopie van het formulier (met achterop de algemene voorwaarden) heeft gehad. De kantonrechter acht die enkele stelling, waaraan Gedaagde overigens geen rechtsgevolgen verbindt, onvoldoende onderbouwd en dus niet steekhoudend.

4.3. Dat de overeenkomst is gesloten na ongevraagd bezoek door een medewerker van Eiser doet voor de geldigheid van de overeenkomst niet ter zake.

4.4. Aan de mededeling van Gedaagde dat hij binnen veertien dagen na 11 november 2016 aan Eiser heeft laten weten van deelname af te willen zien, kan evenmin gewicht worden toegekend, waar voor zodanige mededeling geen (begin van) bewijs is gebleken. Voor zover Gedaagde met recht zou hebben mogen menen dat hij – volgens zijn stelling – kort na het sluiten van de overeenkomst daarop is teruggekomen, kan daarvan ook geen bevestiging worden gevonden in de reacties van hem nadien jegens Eiser, zoals hierna te bespreken.

4.5. Bij de spoedig na deelname gevolgde brief van 5 december 2016 is de deelname van Gedaagde bevestigd. Gesteld noch gebleken is dat Gedaagde op dit bericht naar Eiser heeft gereageerd.

4.6. Eerst vier maanden later – op 6 april 2017- heeft Gedaagde Eiser gemeld dat hij zijn bedrijf waarschijnlijk eind dit jaar heeft verkocht en als ondernemer stopt. Eiser heeft daarop op 5 mei 2017 gereageerd met het advies om de overeenkomst mee over te dragen en de waarschuwing voor boetes bij opzegging. Daarbij heeft zij alvast de boete van haarzelf gevoegd (die overigens niet in geding is gebracht).

4.7. Gedaagde heeft daarop Eiser doen weten eerst maar af te willen wachten wat er inzake de nog onzekere verkoop zal gebeuren.

4.8. De stelling van Gedaagde dat hij de eerste twee en halfjaar – vermoedelijk bedoeld als verstreken tijd sinds de ondertekening van het deelnameformulier – niets van Eiser had vernomen, strookt dus niet met de feiten en is door hem zelf in zijn laatste conclusie ook weersproken.

4.9. Voor zover het verweer van Gedaagde er op gericht is te weerspreken dat er tussen hem en Eiser een overeenkomst is gesloten, overweegt de kantonrechter dat dit verweer naar het oordeel van de kantonrechter niet slaagt.

4.10. Van een expliciete annulering, opzegging of beëindiging van de overeenkomst door Gedaagde is niet gebleken. Eiser heeft aangegeven dat Gedaagde naast het contract met haar een ander contract heeft afgesloten, hetgeen door Gedaagde niet is weersproken. Naar het oordeel van de kantonrechter moet in de kennelijke weigering van Gedaagde om de eerste maandelijkse factuur te voldoen onder die omstandigheden worden aangemerkt als het annuleren c.q. (voortijdig) opzeggen c.q. beëindigen van de overeenkomst. Dat brengt volgens Eiser de toepasselijkheid van een aantal bepalingen uit de algemene voorwaarden mee.

4.11. Eiser beroept zich voor haar vordering op de algemene voorwaarden, met name op de artikelen 6 lid 2 en 3 en 10 lid 5. Gedaagde heeft de toepasselijkheid van deze algemene voorwaarden niet weersproken.

4.12. Gedaagde is in verzuim geraakt wat betreft de betaling van de beëindigingsfactuur.

4.13. Gelet op het voorgaande, ligt de vordering van Eiser voor toewijzing gereed. De persoonlijke en/of andere omstandigheden (bijvoorbeeld inzake zijn idee over valse rekeningen en de volgens hem verkeerde berekening van het verbruik) die Gedaagde heeft genoemd, kunnen niet tot een ander oordeel leiden.

4.14. Eiser maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Gedaagde heeft deze vordering niet betwist. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. De kantonrechter stelt voorts vast dat Eiser voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

4.15. Gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op:

dagvaarding – € 86,85
griffierecht – 499,00
salaris gemachtigde – 360.00 (2 punt x tarief € 180,00)

Totaal € 945,85.

4.16. De door Eiser voorwaardelijk gevorderde nakosten zijn toewijsbaar tot een half punt van het salaris gemachtigde, derhalve tot E 90,00.

5. De beslissing
De kantonrechter

5. I . veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen het bedrag van € 1.208,91, vermeerderd met de contractuele rente van 1 % per maand over dit bedrag vanaf de vervaldatum tot aan 20 april 2020, zijnde € 59,24, en te vermeerderen met de contractuele rente van 1 % per maand over eerstgenoemd bedrag vanaf 20 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2. veroordeelt Gedaagde om aan Eiser te betalen een bedrag van € 181,34 exclusief btw, wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.3. veroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van Eiser tot op heden begroot op 945,85, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag, vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling;

5.4. veroordeelt Gedaagde tot betaling aan Eiser van de nakosten ad € 90,00, indien en voor zover Gedaagde na ommekomst van de termijn van twee dagen na betekening van dit vonnis niet aan de hiervoor genoemde veroordelingen heeft voldaan;

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J.S. Groeneveld – Koekkoek, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2020. (AR)

Mis geen tips en nieuwe wetten!

Nieuwe wetgeving over huur en incasso? Oordelen van de rechtbank? Relevante tips? Blijf bij. Schrijf je gratis in voor onze maandelijkse update. 👇🏻

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
Start een chatgesprek
Stuur ons een bericht